woensdag 7 juni 2017

De Groenling, Merel en Zwartkop

Elke keer als ik vanuit mijn fotohut foto's ga maken is het weer een verrassing wat er voor de lens komt. Ook daar is het de natuur die je niet kunt sturen, wel helpen. De fotohut staat er sinds oktober vorig jaar. Bijna elke dag ben ik er naar toe gegaan om de vogels voer aan te bieden en de vijver schoon en op pijl te houden. Steeds leer je weer wat bij hoe je de vogels beter naar die plek kunt lokken, maar garanties zijn er niet. Wat je behalve voer en water moet bieden is vooral rust en veiligheid. Ook mijn (bijna) dagelijkse aanwezigheid schijnt in mijn voordeel te werken. Telkens als ik vers voer heb aangeboden komen de vogels naar de voerplaats. Alsof ze weten dat er wat te halen valt als ik er weer ben. Verscholen in het duister van de hut lukt het vrij goed om ongestoord foto's te nemen.

De Groenling (man) (Chloris chloris)

De groenling, groenvink of groninger (Chloris chloris synoniem:Carduelis chloris) is een zangvogel van de familie der vinkachtigen (Fringillidae). De vogel eet vooral zaden. Een groenling is ongeveer 15 centimeter lang. Het mannetje is olijfgroen van kleur, vooral op de stuit. De rug heeft een bruine tint en de onderzijde is meer geelachtig. De randen van de vleugel en de meeste staartpennen zijn aan de basis helder geel. De dikke snavel is bijna wit en de poten zijn vleeskleurig. Het wijfje is minder intensief van kleur, zij is meer grijsgroen en haar geel in de veren is veel valer.

De vogel is vaak te vinden in parklandschappen met dichte bosjes of boomgroepen, met name in parken, tuinen, heggen alsook langs bosranden. In de winter als het voedsel schaars is, komen de groenlingen in gezelschap van andere vogelsoorten zoals de vinken, mezen, merels en spreeuwen op de voederplaatsen bij de huizen af. Het nest bevindt zich in heggen en struiken of in altijdgroene planten. Het is gemaakt van takjes, twijgjes of worteltjes en afgewerkt met haren en veertjes. Het legsel bestaat uit vier tot zes witte tot lichtblauwe eieren met roestbruine vlekjes en hebben een broedtijd van 12 tot 14 dagen. De jongen worden door beide ouders verzorgd.

Het voedsel bestaat voornamelijk uit jonge plantjes, zaden, haver, bessen, bladknoppen en soms ook weleens insecten.


De Merel (vrouw) (Turdus merula)

De merel (Turdus merula) is een middelgrote zangvogel uit de familie lijsters (Turdidae). Het mannetje is overwegend zwart en heeft een gele oogring en snavel. In het broedseizoen is zijn melodieuze zang in het grootste deel van Europa 's ochtends en 's avonds te horen. Het vrouwtje en de juveniel zijn meer gecamoufleerd dankzij een donkerbruin verenkleed. Beide geslachten zijn territoriaal in hun broedgebied in bossen en tuinen. De merel is omnivoor en voedt zich met insecten, aardwormen, bessen en vruchten.

In tegenstelling tot bij de meeste andere lijsters bestaan er duidelijke verschillen tussen het mannetje en vrouwtje. Een volwassen mannetje heeft een glanzend zwart verenkleed. Met name de onderzijde, maar ook de rugzijde en schouderstukken zijn soms grijs tot brons getint, wat duidelijk te zien is bij een juiste lichtval. Verder heeft het mannetje donkerbruine poten, een gele oogring en een oranjegele snavel, die in de winter wat donkerder wordt.

Het vrouwtje heeft een bruin tot geel- of roodbruin verenkleed, dat vanaf een afstand egaal kan lijken. De onderzijde is echter lichter gekleurd en onregelmatig gevlekt of gestreept. De buik is grijs tot bruin en de bruine borst is bedekt met lichte vlekken. De keel is het lichtst gekleurd en is grijs tot bruin met donkere onregelmatige strepen. Het vrouwtje heeft net als het mannetje donkerbruine poten, maar de snavel is lichter gekleurd. Ook de oogring is minder fel gekleurd en valt door het bruine verenkleed weinig op.


De Zwartkop man heeft een zwarte kop, het vrouwtje een bruine.

De zwartkop (Sylvia atricapilla) is een zangvogel uit de familie van zangers (Sylviidae). De zwartkop geeft een voorkeur voor struiken en oudere bomen. Laat zich niet altijd makkelijk zien, maar zijn melodieuze zang is in het voorjaar des te beter te horen. Het verenkleed van deze trekvogel is aan de bovenzijde grijsbruin en aan de onderzijde vuilwit. Het mannetje heeft een zwarte kruin, terwijl het vrouwtje een roodbruine heeft. Het voedsel bestaat uit insecten, bessen en vruchten.

De zwartkop is ongeveer net zo groot als een koolmees en dankt zijn naam aan de zwarte pet op zijn kop, die alleen het mannetje draagt. Het vrouwtje heeft een roestbruine pet. Bij het mannetje is de rest van het verenkleed grijs, bij het vrouwtje grijsbruin. Een jong mannetje heeft in de winter een zwarte pet, met bruine vlekken. De zwartkop vliegt weinig en laat zich vooral horen.