maandag 30 oktober 2017

De Boomklever is een vaste bezoeker

De Boomklever is een standvogel. Zowel in de zomer als in de winter blijft de Boomklever in Nederland. Vanmorgen zat ik te wachten op wat vogels die met de vogeltrek naar hier komen, maar die laten nog even op zich wachten.

De boomklever bij de voederplaats van de fotohut.

Het is dankbaar werk als je het hele jaar door veel aandacht besteed aan het voeren van de vogels en het schoon houden van de vijver. Nu het najaar echt begonnen is en de vogeltrek weer trekvogels naar onze omgeving brengt, is het wachten op de bijzondere soorten. Gisteren toonde ik wat foto's met o.a. de Keep en de Boomklever. Vanmorgen was de Keep niet te zien. De Boomklever wel, zoals elke dag.


De boomklever is een korte, dikke en actieve vogel met een krachtige puntige snavel. Hij is vrijwel in geheel Europa een tamelijk algemene standvogel. De opvallende en helder klinkende roep is vaak de eerste aanwijzing van zijn aanwezigheid. In de winter is hij een geregelde bezoeker van tuinen waarin pinda's worden aangeboden. Opvallend zijn de kleine territoria; meestal niet groter dan 1000 m². In een eenmaal gevestigd territorium blijven ze het hele jaar door en komen er alleen enigszins buiten in de winter, in een tijd van voedselschaarste.

Koolmezen en Pimpelmeesjes

Meesjes, de bekendste zijn de Kool- en Pimpelmees. In Nederland leven diverse soorten mezen. Het zijn kleine, gedrongen vogels met een relatief krachtige snavel. Mezen zijn beweeglijke vogels en handige klimmers tijdens het foerageren.

De Koolmees zoekt naar een zaadje dat in de kloof van de boomstronk is gevallen.

In Nederland kennen we de Koolmees, Pimpelmees, Zwarte mees, Kuifmees, Buidelmees en Staartmees. De Koolmees en de Pimpelmees zien we het meest in onze tuinen. De andere blijven het meest in de bossen of in parken, tenzij je en grote tuin hebt met wat grotere bomen.

De Pimpelmees is de kleinste van beide mezen en wordt daarom misschien wel het schattigst gevonden.

De pimpelmees (Cyanistes caeruleus, vroeger Parus caeruleus) is een mees die in vrijwel heel Europa regelmatig voorkomt. Pimpelmezen zijn veel te zien in bossen, tuinen en struwelen. Het zijn slimme, behendige vogels die graag afkomen op in de tuin opgehangen voedsel. In Nederland neemt het aantal pimpelmezen anno 2015 nog altijd toe. Volwassen pimpelmezen zijn circa 12 centimeter groot[2] met een spanwijdte van 17-20 centimeter en een gewicht van ongeveer 12-15 gram, dit is kleiner dan de koolmees. De pimpelmees heeft een vrij herkenbaar verenpak met zijn kobaltblauwe kruin, staart en vleugels die duidelijk afsteken tegen het geel van zijn onderkant. Het verschil tussen mannetje en vrouwtje is vrijwel niet waar te nemen. In juveniel kleed is hij op de kop groenig in plaats van blauw en op de wang gelig. De roep van de pimpelmees klinkt als tsi tsi tsit, de zang is een hoog si si sirrr, gevolgd door bellende geluiden, en lijkt iets feller dan die van de koolmees. De vlucht van de pimpelmees is meestal gelijk aan die van andere mezen. In boogjes zweeft hij door de lucht, in de tussenpozen slaat hij met de vleugels.


De koolmees (Parus major) is een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae). Volwassen koolmezen zijn circa 14 centimeter groot, hebben een spanwijdte van 22,5-25,5 centimeter en een gewicht van gemiddeld 17 gram. De koolmees heeft een zwarte kruin, witte wangvlekken, een gele borst en daarop overlangs een zwarte band. Mannetjes zijn te herkennen aan de duidelijk bredere zwarte band, maar ook aan de grotere hoeveelheid zwart tussen de poten en meer glans op de kop. Het juveniel is valer gekleurd en mist de zwarte streep, deze verschijnt in het najaar. De koolmees is de grootste soort mees, zoals de wetenschappelijke soortnaam verraadt: major betekent groot. De roep van de koolmees klinkt als péh-puuh wat vergelijkbaar is met de sirene van een politieauto. De zang is een hoog si si sirrr en lijkt iets zachter dan die van de pimpelmees. De vlucht van de koolmees is meestal gelijk aan die van andere mezen. In grote bogen vliegt de koolmees door de lucht, afwisselend wordt met de vleugels geslagen en gezweefd.

Merels komt drinken in ondiep water

De Merel drinkt uit plassen of uit ondiep water van een vijver. Vogels vinden diep water beangstigend, maar er moet toch voldoende water staan om te kunnen baden. Omdat de vijver van het diepen, gelijkmatig uit loopt naar het drogen is er voor iedere vogel altijd een plaats waar de waterdiepte precies goed is.

De Merel kijkt eerst of de kust veilig is, voordat hij aan de waterkant van de vijver zijn dorst lest.

Vogels zijn bang voor diep water, en drinken en poedelen het liefst in een badje dat lijkt op een plas water. Neem daarom een schaal met lage zijkanten die in het midden niet dieper is dan vijf centimeter. Zoek een goede plek uit: plaats de schaal zo dat katten er niet bij kunnen. Ophangen of op een verhoging zetten is een goede oplossing. Zet de schaal het liefst in de buurt van struiken, zodat de vogels kunnen vluchten bij gevaar. Vogels zijn kwetsbaar als ze nat zijn. Ook belangrijk is het water dagelijks te verversen, zeker met deze warme dagen.


Behalve drinken willen vogels ook baden. Vogels badderen zoals in de zomer niet alleen om af te koelen, maar ook om hun veren in een goede conditie te houden. Om de veren isolerend en droog te houden poetsen vogels zichzelf regelmatig. Die poetsbeurt begint met een bad. Ze maken hun veren op die manier vochtig; zo kan het vet, afkomstig van hun eigen vetklier, beter over het verenkleed worden verspreid. Het invetten maakt het verenpak waterafstotend, zorgt ervoor dat de isolerende eigenschappen behouden blijven en misschien wel het belangrijkste: dat ze kunnen vliegen.

zondag 29 oktober 2017

Nu ook de Keep bij de foto-vogelhut

Het afgelopen jaar zijn er in Netersel bij de fotohut veel vogelsoorten gezien en gefotografeerd. De Keep zat daar nog niet bij, tot vanmorgen dan, waardoor de lijst met vogelsoorten die de fotohut bezochten op 30 komt. Vanmorgen verscheen de Keep even bij de fotohut om een kijkje nemen. Mogelijk volgt er in de loop van de week nog een vervolg op. Waarschijnlijk is de Keep op de vliegbewegingen van de andere vogels af gekomen.

De Keep kwam even een kijkje nemen bij de fotohut.

De keep (Fringilla montifringilla) is een zangvogel uit de familie van vinkachtigen (Fringillidae). De keep lijkt qua gedrag en formaat sterk op de gewone vink (F. coelebs) maar onderscheidt zich door een witte stuit en minder wit op de staart. De staart is sterker gevorkt dan bij de vink. Het mannetje heeft een oranje borst en schouder en een donkergrijze kop, die in het zomerkleed zwart kleurt. De naam van de keep is afgeleid van zijn roep: een rauw of raspend nasaal chèèèèèp. De zang is een langgerekt ietwat raspend sjruur, dat in volume toeneemt en weer afnemend, zodat de zang doet denken aan het geluid van een cirkelzaagje.

Links de Keep, een vinkachtigen. rechts de gewonde Vink.

De Koolmees en de Huismus.

De Boomklever en de Roodborst.

Net als de ander vogels aan de fotohut leeft de Keep in de winter op voedsel dat bestaat uit verscheidene oliehoudende en kiemende zaden, vruchten en bessen, knoppen en insecten (voor zover die in het najaar nog te vinden zijn). De vogel leeft in groepsverband met andere vinkachtigen. De keep komt in de wintermaanden in Nederland en België voor en broedt in bergbossen van Fennoscandinavië en verder tot in Oost-Siberië.

De keep is een doortrekker en wintergast in soms zeer grote, maar jaar op jaar sterk verschillende aantallen. Deze aantallen nemen sinds 1985 af. Daarnaast is het een schaarse broedvogel. Ieder jaar worden er in de dennenbossen op de zandgronden en op de Waddeneilanden kepen gehoord die zich 's zomers als territorium houdend mannetje gedragen en mogelijk ook broeden (maar vaak ook niet).

zaterdag 28 oktober 2017

Muurvarens op kalkspecie voegen

Muurvarens groeien aan noordelijk gelegen muren die opgetrokken zijn met kalkspecie. Voorbeelden zijn kerkhofmuren, stadswallen, ruïnes, kademuren, oude forten en bunkers, maar ook muren van oude boerderijen. De aanwezigheid van de pionier muurvaren op oude kalkspecie goede biedt kansen voor de verdere ontwikkeling van bijzondere muurvegetaties en voor insecten.

De Tongvaren is in Nederland vrij zeldzaam. De plant groeit op muren die opgetrokken zijn met kalkspecie.

De Tongvaren (Asplenium scolopendrium) heeft een bijna vertikalen, korten, dikken wortelstok. De bladen staan spiraalvormig, zijn kort gesteeld, langwerpig-lancetvormig, toegespitst, boven den diep, min of meer scheef, hartvormigen voet vaak iets vioolvormig samengetrokken, gaafrandig, vaak aan den rand iets gegolfd. De bladsteel heeft 2 centrale, in dwarsdoorsnede halvemaanvormige vaatbundels, die de gewelfde zijden naar elkaar keeren. Hij is, zoowel als de onderzijde der middennerf (soms ook de bovenzijde), met bruine, bijna haarachtige schubben bezet. De bladen blijven des winters groen.

De sori zijn groot, liggen paarsgewijze dicht bijeen, het eene aan den voorsten tak van een secundairnerf, het tweede aan den achtersten tak van een volgende. Zij keeren de vrije randen hunner vliesjes naar elkaar en zijn breed lijnvormig. Zij ontbreken gewoonlijk in het onderste deel van het blad. 1,5-3 dM. Juli, Augustus.

De Muurleeuwenbek groeit op muren die opgetrokken zijn met kalkspecie.

De Muurleeuwenbek (Cymbalaria muralis) is een plant uit de weegbreefamilie (Plantaginaceae). De plant heeft zijn verspreidingsgebied in de afgelopen eeuwen uitgebreid met grote delen van West- en Midden-Europa. Het is een overblijvende plant met hangende, soms kruipende, tot 60 cm lange stengel. De kleine klimopachtige enigszins vlezige bladeren zijn drie- tot zevenlobbig en tot 2 cm gesteeld. De apart staande bloem is lichtpaars of licht violet van kleur, en heeft twee licht gele vlekjes. De tweezijdig symetrische bloempjes zijn 0,8-1 cm breed en zitten op lange stengels in de bladoksels. De bloeitijd loopt van april tot september.

Aangenomen wordt dat de plant uit Kroatië en/of Noord-Italië afkomstig is. In West- en Midden-Europa nestelt de plant zich vooral in de spleten van oude kalkhoudende bakstenen muren. Waarschijnlijk is hij in dit gebied als tuinplant verwilderd. Muurleeuwenbek prefereert beschaduwde, vochtige plaatsen zoals verweerde muren en zerken van oude graven. De plant vormt veel lange stengels, die regelmatig wortel schieten, waardoor de plant zich behalve door uitzaaiing ook vegetatief kan vermeerderen. De bloem buigt na de bloei naar binnen, waardoor de zaden naar binnen vallen en in spleten tussen stenen in het donker kiemen.

Deze nog onbekende varenachtige plant groeit ook op muren die opgetrokken zijn met kalkspecie.

Zodra ik meer weet over de soort van deze muurplant volgt hier nog de beschrijving van deze plant.......

Reacties hieronder of via de vermelding op de facebook pagina.

maandag 23 oktober 2017

Klein Dooiermos (Xanthoria polycarpa)

Deze korstmos is het Klein Dooiermos, een kleine soortgenoot van het Groot Dooiermos. Deze korstmos groeit door een sterke aanwezigheid van stikstof of ammoniak. Het groeit zowel op takken van bomen als op stenen bouwsels of op markeringspalen, zoals hier op een aardgas pijpleiding markeringspaal.

Het klein Dooiermos heeft vrij korte lobben, rond en bol en ingesneden aan de toppen.

Het vruchtlichaam is Thallus groenachtig grijs (schaduw) tot oranje-geel, met oplopend naar geadapteerde lobben, onderverdeeld in weinig tot veel korte, onregelmatige, vingerachtige sublobben minder dan 1 mm breed? Apothecia gewoonlijk overvloedig, diep geel tot donker oranje.

Het Klein Dooiermos groeit op de bovenkant van een aardgas pijpleiding markeringspaal.

Boomklevers bewaren zaden voor later

De boomklever is een echte bosvogel. Hij klautert schokkerig maar behendig alle richtingen uit op boomstammen, ook ondersteboven. Maar ze zijn ook te zien in grote tuinen waar grote, oude loofbomen staan. Als je daar een rijk gevulde voertafel hebt staan is de kans groot dat je ze daar dagelijks ziet.

De boomklever is een dagelijkse gast aan de fotohut, waar water en voedsel te vinden is.

De boomklever eet vooral ongewervelden (insectenlarven, oorwormen, kevers, spinnen). Het dieet wordt in de herfst en de winter in belangrijke mate aangevuld met zaden en noten (vooral beuk- en hazelnoot). Soms voedt de boomklever zich ook met het sap van es, esdoorn, populier en berk. De boomklever is een uitgesproken bosvogel. Toch duikt de soort ook vaak op in tuinen en parken, zeker in een bosrijke omgeving. Een oude boom in de tuin (liefst met spechtengaten) of en een nestkast kan zeker een boomklever aantrekken. In de winter komt de boomklever ook vaak naar voederplaatsen. Vooral vetbollen, hazelnoten en pindanetjes scoren goed. Door hun specifieke manier van voedsel zoeken (op- en neer klauteren van boomstammen) kan je het voedsel best op maat aanbieden. Zoek een boomstam met enkele gaten en stop daar hazelnoten ongezouten pinda’s of vet in.


Vaak zie je dat de boomklever met een snavel vol zaden weg vliegt. Boomklevers leggen voedselvoorraden aan waarbij ze elk item apart verstoppen. Onderzoek heeft aangetoond dat boomklevers de exacte locatie van hun verstopplaatsen tot 30 dagen kunnen onthouden. Boomklevers zijn standvogels, maar als de oogst aan beukennootjes mislukt, verplaatsen ze zich toch soms in het najaar: dan duiken ze ook vaak op in tuinen.

Merels die wel fit en virusvrije zijn

De merel is de meest algemene en een van de bekendste broedvogels van ons land. Maar de merelstand heeft veel te lijden onder het Usutu virus, ofwel de 'merel-ziekte'. Maar gelukkig zijn er ook nog veel merels die wel kerngezond zijn.

Een volwassen Merel man (felgele snavel)

Het Usutu virus is een virus waar vogels ziek van kunnen worden. Het virus wordt door muggen overgedragen en komt oorspronkelijk uit Afrika. Vermoedelijk is het virus via trekvogels naar Europa overgebracht, waar het in 2001 voor het eerst opdook in Oostenrijk. Vanuit daar verspreidde het zich over Europa. Het virus is vernoemd naar de Usutu rivier in Swaziland. Het Usutu virus maakt slachtoffers, maar aan het eind van de zomer laten Merels zich sowieso minder zien, omdat ze dan in de rui zijn. Vorig jaar was er eveneens sprake van het virus. Het effect viel toen erg mee. De terugval in de nazomer was niet sterker dan het jaar ervoor en de aantallen waren al snel weer op het oude niveau, zagen we onder andere op Tuintelling.nl.

Een Merel man juveniel (de snavel is nog deels zwart en moet nog volledig geel worden)

Het virus wordt door steekmuggen, voornamelijk uit het geslacht Culex, overgedragen. Het is zeer uitzonderlijk dat mensen besmet raken. Ondanks de grote uitbraken onder vogels, zijn in Europa van slechts enkele mensen bekend dat ze besmet waren met het usutuvirus. Het merendeel had een verzwakte afweer. Bij een besmetting met het usutuvirus kunnen de volgende symptomen worden waargenomen: algehele malaise, sloomheid, ‘bol’ zitten, niet meer drinken, naar adem happen, spierzwakte (bijv. niet meer opvliegen/ alleen nog maar laag blijven en meteen weer gaan zitten), vleugels / kop laten hangen en evenwichtsstoornissen. Welke symptomen een vogel vertoont, hangt af van welk orgaan is aangetast (hart, hersenen, perifere zenuwen). Omdat dit beeld ook past bij andere ziekten, kan op basis van de ziekteverschijnselen geen uitspraak worden gedaan of de vogel besmet is met het usutuvirus of dat het om een andere ziekte gaat.

Mensen die een dode merel in hun tuin vinden, kunnen die begraven of in de gft-bak gooien. Pak de vogel daarbij wel op met wegwerphandschoenen of een plastic zakje, ook al is de kans op besmetting voor mensen klein. Meer informatie over de algemene hygiëne-maatregelen voor het hanteren van dode en zieke vogels vind je op de website van DWHC. Er is geen aanleiding om extra maatregelen te nemen. Daarnaast roepen we iedereen op om dode vogels te melden, zodat we een goed beeld krijgen van de omvang van de Usutu-uitbraak.

Insecteneters die nu van zaden leven

Het zijn incestesters die nu van zaden leven, de roodborst, de heggenmus, koolmees en pimpelmees. Insectenetende vogels zijn te herkennen aan hun slanke dunne snavel. Maar deze vogels eten laat in de herfst tot het begin van de lente natuurlijk zo goed als geen insecten. Die zijn er dan gewoonweg niet meer. De insectenetende vogels die hier overwinteren schakelen daarom zo goed als volledig over op zaden en vetten.

De Roodborst met zijn typische rode borst

Zodra het kouder wordt, komen de vogels dichterbij huis. Ze gaan nu actief op zoek naar een plek waar ook in koude jaargetijden wat te vinden is. Als u ze nu gaat voeren, hebt u al snel stamgasten voor de winter. Veel vogelsoorten eten nu ook de vitaminerijke bessen uit de struiken in uw tuin. Vetbollen en pinda’s zijn in dit jaargetijde geschikt om vogels mee bij te voeren. Het kost vogels in de winter veel energie om hun lichaamstemperatuur op 40 graden te houden.

In een koude nacht verliezen kleinere soorten soms 10 procent van hun gewicht. Als extra energiebron kunt u vetbollen en pinda’s ophangen. Bij lichte vorst kunt u vers drinkwater aanbieden. Er wordt ook in gebadderd. Dit is geen probleem: het water rolt van de ingevette veren, dus bevriest niet. Bij strenge vorst kunt u beter geen open (warm) water aanbieden. Als er geen sneeuw ligt om op te pikken, kunt u ijs vergruizen zodat ze de ijssplinters kunnen oppikken. Erg koud in de buik, dus het kost energie, maar het voorziet in de vochtbehoefte.

Kool- en Pimpelmees

Koolmezen eten doorgaans rupsen, andere kleine insecten (tot circa 1 cm lengte), beukennootjes en andere zaden. Koolmezen zijn, vooral in de winter ook vaak te vinden op voedertafels, zeker wanneer pinda's en zonnebloempitten worden gevoerd. Pimpelmezen eten gevarieerd. In broedtijd vooral insecten en hun larven (rupsen), spinnen en andere geleedpotigen. In de winter ook veel zaden (o.a. berk, lariks, haagbeuk Spaanse aak) en pinda's; zijn dan ook veel te vinden op voedertafels. 's Winters ook in riet, op zoek naar insecten die uit de rietstengels worden gehakt. Foerageert vaak vrij hoog in de boom, in dunne takken en aan twijgen.

Heggenmus en Roodborst

Op het menu van de Heggenmus staan insecten, spinnen en andere kleine bodemdiertjes die ze scharrelend op de grond bij elkaar zoeken. In de winter vullen zij dit aan met kleine zaden. De Roodborst eet ook insecten, spinnetjes en andere kleine diertjes, aangevuld met bessen en zaden. In de winter is de Roodborst ook een vaak geziene gast op voedertafels. Zoekt voedsel hippend op de grond of vanaf zitplaatsen.

zaterdag 21 oktober 2017

De kleurijke Gewone heksenboleet

De Gewone Heksenboleet (Boletus erythropus) staat langs een pad in de bossen aan de noordkant van de Neterselse Heide, aan de rand met Westelbeers. Ik zag deze tijdens een wandeling, die ik daar met mijn telefoon heb gefotografeerd.

De Gewone Heksenboleet is aan het einde van zijn groeiperiode op z'n mooist.

De gewone heksenboleet of kortweg heksenboleet (Boletus erythropus) is een paddenstoel uit de familie Boletaceae. De gewone heksenboleet groeit in bossen op zure grond. De soort komt daar vrij algemeen voor. De hoed heeft een doorsnede van Ø 7–21 cm en is gewelfd. Bij droogte wordt het oppervlak van de hoed iets viltig. De kleur varieert van donkerbruin tot roodbruin. De steel is 8–11 cm lang en Ø 2-5 cm dik. Deze is geel en is dicht bezet met kleine, rode viltpuntjes. De buisjes zijn vrijstaand, klein en citroengeel tot groenig van kleur. De poriën zijn rond en rood tot roestbruin van kleur. Bij druk kleuren de buisjes direct donkerblauw tot zwart. Het vlees is geel. Bij snijden of kneuzen verkleurt het tot indigoblauw.

De doorsnede van deze Heksenboleet haalde de 20 cm, mijn verrekijker ter vergelijking.

woensdag 18 oktober 2017

Het toneel van de fotohut opgeknapt

Gisteren heb ik het toneel van de vogel fotohut opgeknapt. Met het toneel bedoel ik het gebied waar de vogels komen eten en hun prachtige verenkleed tonen. De vogels komen voor het voer en het water, en ik probeer daar mooie foto's van te maken. Mooie vogels in een mooie omgeving geeft mooie plaatjes. Afwisselende objecten en natuurlijke kleuren geven de mooiste beelden.

Naar de achterkant toe loopt het schuin omhoog, zodat het na een regenbui sneller droogt.

Alles wat je koestert heeft onderhoud nodig. Ook een fotohut ontkomt daar niet aan. Door regen, vallend boomblad, algen die zich op de bodem afzetten en algengruis dat uit de bomen waait, maken dat het decor er na een jaar minder fraai uit ziet. Maar het decor moet ook eens anders ingericht worden. Een andere inrichting geeft ander plaatjes. Ook heb ik geprobeerd om de ondergrond zo licht mogelijk te maken. De lichte ondergrond reflecteert meer licht als een donkere ondergrond, en dat is weer beter voor de belichting en de kleuren.


De ondergrond is afgewerkt met metselzand, waarover fijn lichtkleurig grind is gestrooid. Verdeeld over de vlakte zijn wat grotere grind steentjes neergelegd, net als de grotere granieten zwerfstenen. Aan de linker kant is een met mos begroeide dode boomtak neergelegd. In het midden, tegen de achterkant moet nog een tweede met mos begroeide tak komen. In de rechter hoek wil ik wat eikentakjes in de herfstkleuren neerleggen. Maar eigenlijk is het nooit klaar. Zodra er weer wat aangepast is ontstaan er weer nieuwe ideeën.

Voor de vogels maakt het niet uit, als er maar te eten en te drinken is. En dat is goed te merken na weer een kleine aanpassing. Als ik terug de fotohut in ga, zie ik de boomklever, de meesjes, vinken en andere vogels al weer bij het voer, of in het water om te drinken of te baden.