donderdag 28 februari 2019

Bouw "Tour de Frans" toren Banisveld

In september 2016 ging Frans Kapteijns met pensioen. De Oisterwijkse boswachter van Natuurmonumenten kreeg een drukbezochte afscheidsreceptie en werd verrast met een gemeentelijke onderscheiding en een provinciaal eerbetoon, aangeboden door commissaris van de koning Wim van de Donk. Kapteijns nam na 26 jaar afscheid van Natuurmonumenten. Hij was sinds 2003 nauw betrokken bij de totstandkoming en promotie van nationaal landschap Het Groene Woud. De boswachter blijft actief als vrijwilliger voor Natuurmonumenten en is ambassadeur van het Van Gogh Nationaal Park in Brabant.

Bouw "Tour de Frans" toren Banisveld

Frans Kapteijns heeft duizenden volgers op Twitter en op Omroep Brabant radio. In het radioprogramma "Lekker Weekend" behandeld Frans in STUIFMEEL vragen die luisteraars insturen. Allemaal vragen die te maken hebben met de natuur, en natuurelementen die in de tuinen van de luisteraars opgevallen zijn. Het levert de mooiste en meest verrassende verhalen op over de natuur.

De staalconstructie is gebouwd door Kok Metaal uit Genemuiden.

In een deel van zijn geliefde natuurgebied, de Kampina, gelegen tussen Oisterwijk, Oirschot en Boxtel stond een houten kijktoren met een uitzicht over Banisveld. Die toren was in verval geraakt en moest om veiligheidsredenen verdwijnen. Maar er kwam een nieuwe toren. Als afscheidscadeau werd voor Frans Kapteijns een actie op touw gezet op om de oude uitkijktoren op het Banisveld, bij Lennisheuvel, te vervangen door een nieuw exemplaar. Met crowdfunding werden de middelen verworven voor een nieuwe uitkijktoren op de Kampina. De deadline van deze crowdfunding liep af op 11 november 2016. Door 304 donateurs werd € 30.275,00 bijeen gebracht. En dat was 101 % van de benodigde € 30.000,00. De uitkijktoren zou tussen de € 50.000,- en € 90.000,- gaan kosten. In de zomer van 2017 zou de toren er staan, was de planning. Het liep even anders. Anderhalf jaar later, in maart 2019 stond de toren er wel

Het meest geliefde gebied van Frans Kapteijns is de Kampina. Een natuurgebied met bos, heide en beekdalen in de provincie Noord-Brabant, onderdeel van ‘Het Groene Woud’. Het is daar waar de uitkijktoren ‘Tour de Frans’ zou komen.


De officiële opening van de kijktoren in zaterdag 18 mei 2019.

woensdag 27 februari 2019

Chinese Knobbelgans aan de kanaaloever

Vanmorgen was ik met de mountainbike op pad. Op de terugweg van Ravels naar huis zag ik nabij Arendonk aan de waterkant van het Kempisch kanaal een gans zitten die op een Grauwe gans leek, maar met een knobbelsnavel zoals de Knobbelzwaan. Ook de witte rand achter de snavel en de bruine verticale band vanaf zijn hoofd over de achterkant van de nek waren opvallend. Ik nam enkele foto's met mijn telefoon om thuis uit te vogelen welke gans het was. Het bleek een Chinese Knobbelgans te zijn, een exoot die je niet alle dagen tegen komt. Daarom ben ik met een echte fotocamera teruggereden om enkele foto's te maken.

De Chinese Knobbelgans voelt zich kennelijk goed thuis in het kanaal.

De Chinese Knobbelgans heeft een korte snavel met een duidelijke knobbel boven op de snavelbasis, met daarachter een witte band rondom de snavel. Knobbelgans is de gedomesticeerde vorm van de Zwaangans. De Zwaangans is een tamelijk zeldzame soort die leeft op steppemeren en rivierdalen in Zuidwest-Rusland, China en Mongolië. De soort heeft in het wild de status “kwetsbaar”. De Zwaangans is een grote gans, vergelijkbaar met Grauwe Gans, met een zeer lange nek, een vrij smalle, langwerpige kop en een lange zwarte snavel. De bovenkant van de kop en achterzijde van de hals zijn donkerbruin, de voorzijde van de hals licht bruin tot beige. De kans is klein dat een Zwaangans in wildvorm wordt waargenomen in Nederland, omdat deze buiten China weinig wordt gehouden. Het is desondanks wel handig om te weten hoe de wildvorm er uit ziet om het onderscheid te kunnen maken tussen Knobbelgans en Soepgans. De Chinese Knobbelgans is dus duidelijk geen soepgans.

De rechter gans, en op de rechter foto de voorste, is het vrouwtje, te herkennen aan de eierzak en de kropzak.

Het verschil tussen een mannetje en een vrouwtje zie je doordat het vrouwtje een grotere hangbuik heeft dan een mannetje. Eigenlijk is dat de eierzak die nu goed te zien is. In de broedtijd zie je dat het best.

De Knobbelgans is zwaarder van bouw dan de wildvorm (vaak met ‘hangbuik’ en iets opgerichte staart), en heeft een zwarte knobbel op de snavel en een keelflap. Vaak worden waarnemingen van Knobbelganzen verzameld in de categorie 'soepgans' wat helemaal niet terecht is, aangezien soepgans strikt genomen verwijst naar alle gedomesticeerde varianten van Grauwe Gans. Knobbelganzen onderscheiden zich van Soepganzen door de zwarte snavel en grote knobbel en het contrast tussen de donkere achterzijde van de nek en de lichte voorzijde.


zondag 24 februari 2019

De Blauwborst is een rietvogel

Hoewel op zijn borst drie kleuren te zien zijn, blauw, zwart en rood, is de soortnaam Blauwborst. De Blauwborst is door zijn kleuren en een uitbundige zang een opvallende verschijning in de Nederlandse vogelwereld. Deze vogel is vaak te vinden in gebieden met veel riet, maar zelden zo vroeg in het voorjaar.

Daarom ging ik op zoek naar de waarnemingen van de Blauwborst op waarneming.nl. Ik was niet de enige die al een Blauwborst had gezien. Op waarneming.nl/species/62/observations/ zijn vanaf j.l. zaterdag vijf locaties gemeld waar deze vogel in waargenomen.

De blauwborst (Luscinia svecica) in het riet.

Blauwborsten hebben de afgelopen decennia in Nederland een flinke opmars heeft gemaakt. Dit komt doordat er meer geschikt leefgebied is bijgekomen. Het is een van de weinige soorten die van de Rode Lijst is geschrapt, omdat het zo goed gaat.

Het mannetje heeft een blauwe kin en borst met in het midden een witte vlek. Aan de onderkant wordt de blauwe borst begrensd door een zwarte band, een dunnere witte band en daaronder een roestbruine vlek. Spreidt een blauwborst zijn staart, dan zie je opvallende oranjebruine staartbasis met een zeer brede zwarte eindband. Bij het vrouwtje ontbreekt de blauwe borst, maar net als het mannetje heeft zij een lichte wenkbrauwstreep en een dezelfde oranjebruine staartbasis met zwarte eindband. Blauwborsten zoeken tussen de vegetatie naar voedsel. Tijdens de balts vliegt het mannetje op uit het riet met een melodieuze zang om elders met gespreide staart en vleugels neer te strijken. In Nederland worden ook wel blauwborsten gezien met oranje 'ster' op de blauwe borst, een zeldzame doortrekker uit vooral Scandinavië.


Blauwborsten hebben een voorkeur voor gevarieerde, natte en insectenrijke gebieden met open delen en een struweel- en loofboombegroeiing, met een niet geheel bedekte bodem. De geleidelijke overgang van rietmoerassen naar moerasbos vormt een uitstekend leefgebied (Oostvaardersplassen, Biesbosch, Lauwersmeer). Dit type habitat is in Nederland flink toegenomen in de afgelopen decennia, dit is ook de reden waarom de blauwborst het zo goed doet in ons land. Ook in akkers, o.a. met koolzaad.

Een zonnebad voor de Boomklever

Tijden mijn ochtendwandeling weerklonk de roep van de Boomklever op diverse plaatsen in de bossen tussen Hulsel en Reusel. Een daarvan zat op een mooi plekje in de zon. Of hij daarvan genoot? Ja hoor, zeker weten!



Boomklevers zijn fraaie vogels, met een stevig postuur, een forse snavel en een korte staart, die zowel met de kop omhoog als de hop naar beneden langs stammen en takken kan klauteren. Boomklevers zijn de enige vogels die met evenveel gemak zowel omlaag als omhoog langs een boomstam bewegen en daarin onderscheiden ze zich van de boomkruipers, die alleen omhoog klimmen langs boomstammen.

Het geluid van de Boomklever is een helder fluitend 'twiet-twiet-twiet' en een meesachtig 'tsit'. Bij opwinding een schel trillend 'tirr'. De zang is een luid 'tuwiehe-tuwiehe', ook wel omschreven als een kwelend 'tu-tu-tu' (dat enigszins aan de zang van een nachtegaal doet denken). Deze zang gaat over in 'kwie-kwie' en haastig 'twet-twet-twet'. Aan zijn zang kan de boomklever eenvoudig worden herkend.

Boomklevers broeden in vrijwel geheel Europa. Het zijn vogels van bossen, parken en tuinen met veel loofhout. De volwassen vogels zijn standvogels, terwijl jonge vogels soms over kleine afstanden uit zwerven. Het is een soort die het in Nederland voor de wind is gegaan gedurende de laatste decennia. Vooral in Noordoost Nederland, Brabant en Limburg is de soort toegenomen. Waren er volgens de Atlas van de Nederlandse Broedvogels in 1973-1977 nog 5000-6000 paren in Nederland, inmiddels zijn dit er 16.000-20.000.

donderdag 21 februari 2019

Groene specht in de houtwal

Vanmorgen verscheen de Groene specht in de houtwal, achter in ons weiland. Vanuit mijn oude caravan die ik daar in Netersel achter in het weiland heb neergezet kon ik deze foto's maken zonder de vogel te verjagen. Echter, na mijn eerste foto's klom de specht steeds hoger in de boom, buiten bereik van mijn camerastandpunt, in de caravan.

Groene specht (Picus viridis) in de houtwal.

Groene spechten zijn standvogels van open loofbossen, hoogstamboomgaarden, parken en oude houtsingels. Hij broedt meestal in een zelfgehakt hol in een oude loofboom. In de zomermaanden bestaat zijn voedsel vooral uit grote mieren (vooral rode bosmieren) en wordt meestal op de grond verzameld. De lachende roep van de groene specht is een opvallend kenmerk. Roffelt niet vaak en zwak, dat is meer voor de zwarte specht.

De groene specht is een forse vogel, met in vlucht opvallend groene stug en stuit en diep golvende vlucht. De kop van de groene specht is opvallend getekend met rode kruin en zwarte vlek rondom het oog. Mannetjes hebben daarnaast ook nog een rode vlek onder het oog, deze vlek is bij vrouwtjes zwart. Ze hebben een grijze dolksnavel. Onvolwassen vogels zijn zwaar gevlekt over het gehele lichaam. De kenmerkende lachende roep van de groene specht valt vaak het eerst op. Heeft een diepe golvende vlucht en zoekt vaak op de grond naar mieren.


Groene spechten broeden vooral in het kleinschalige cultuurlandschap met oude bomen en in de duinen, maar steeds vaker in polders in recreatiebossen, stadsparken en sportparken. In grote bosgebieden broedt hij vaak alleen langs de randen of rond kale stukken. De groene specht ontbreekt in grootschalige open landschappen. Een nest maakt hij in oude loofbomen. Het voedsel zoekt de groene specht hoofdzakelijk op de grond.

Insecten, vooral mieren staan boven op de menukaart van deze specht. Kan flink tekeer gaan op een mierenhoop. De groene specht is een uitgesproken standvogel die in strenge winters grote verliezen lijdt.

Link: waarneming.nl/167762487/
Link: www.sovon.nl/nl/soort/8560

Kleine Watersalamander op gevaarlijk pad

Vanmorgen wou ik gaan fietsen, zonder een fotocamera mee te nemen. En dan kom je onderweg iets tegen dat je toch graag op de foto wilt zetten. Zo fietsen door de Landschotse Heide in Middelbeers over het gravelpad voor wandelaars en fietsers, waar een vrouw mij er op attendeerde niet over dat kleine beestje te rijden. Dus stopte ik om te kijken welk beestje ze bedoelde. Het was een Kleine Watersalamander (Lissotriton vulgaris). Gelukkig had ik mijn telefoon bij, en daar kun je ook foto's mee maken.

Kleine Watersalamander (Lissotriton vulgaris)

De kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) is een salamander uit de familie echte salamanders. De kleine watersalamander blijft relatief klein en bereikt een lichaamslengte tot ongeveer tien centimeter inclusief staart. De lichaamskleur is bruin met donkere vlekken en strepen, met name de mannetjes. Mannetjes hebben een patroon van ronde, loodgrijs gekleurde vlekken op de flanken en de staart. Zij krijgen in de voortplantingstijd een duidelijke gegolfde staartkam en ook de kleuren op de buik en staart worden feller.

De salamander leeft hoofdzakelijk van kleine kreeftachtige diertjes zoals watervlooien. Vijanden zijn verschillende vissen, vogels, reptielen, insecten, zoogdieren en andere amfibieën.

De onderkant is belangrijk om de soort goed te kunnen bepalen.

De kleine watersalamander stelt weinig eisen aan zijn biotoop en kan in alle met onderwatervegetatie begroeide kleine watertjes die regelmatig in de zon staan gevonden worden. De kleine watersalamander leeft in stilstaande tot langzaam stromende wateren, snelstromend water is ongeschikt als habitat. De salamander komt voor in kleine stroompjes, vijvers, sloten, vennetjes, moerassen en zelfs in gebieden met hoogveen. Het is een cultuurvolger die zich kan handhaven in uiteenlopende milieus, maar het liefst vertoeft in begroeide, open gebieden. Vooral door de mens aangelegde waterreservoirs zijn geschikt, welke bestaan uit een stilstaand diep water met steile wanden zodat vee er geen toegang toe heeft. Ook in grotere wateren komt de salamander voor, zoals de oeverzones van meren en vijvers en de bochten van rivieren, heel soms in brak water. De voorkeur gaat uit naar heldere, niet té dichtbegroeide wateren met stilstaand water en niet al te diep, want hier leven roofvissen en grote waterinsecten of de larven die dol zijn op salamanders.

woensdag 20 februari 2019

De Eekhoorn is een evenwichtskunstenaar

In afwachting van de komst van de vogels waarvoor ik mijn in mijn caravan (fotoschuilplaats) op hield, zag ik een Eekhoorn over het afrasteringsgaas van de achterbuurman lopen. Ik kan het met woorden niet zo goed uitleggen, als de foto's te laten zien, die geen uitleg behoeven.

De Eekhoorn is een echte evenwichtskunstenaar. Of het takjes zijn, of gaas, ze lopen er over zoals wij over de grond lopen.

De gewone eekhoorn is de bekende roodachtige eekhoorn met de grote pluimstaart en pluimpjes aan de oren die regelmatig in een Nederlands bos te zien is. Een gewone eekhoorn bouwt meestal verscheidene nesten hoog in de bomen. Deze nesten worden gebouwd van takken, boombast, bladeren en mos. In de winter brengen eekhoorns het grootste deel van de dag en nacht in hun winternest door en komen ze slechts af en toe naar buiten om wat eten te halen. In de herfst hebben ze daarvoor op een groot aantal plekken voedselvoorraden verstopt. In de zomer gebruiken ze hun nesten ook intensief. Bijvoorbeeld om jongen te krijgen en te schuilen voor regen of warmte.

De eekhoorn, ook Rode eekhoorn of Gewone eekhoorn (Sciurus vulgaris) genaamd is de in Europa meest voorkomende eekhoorn. De eekhoorn is 20 tot 28 centimeter lang en 250 tot 350 gram zwaar. De borstelige pluimstaart is van 15 tot 20 centimeter lang. Het is een omnivoor, die tot de knaagdieren behoort.



Anders dan de naam doet vermoeden, kan de kleur variëren van zwart tot gelig, met allerlei tinten rood en bruin daartussen, wat op de foto's ook goed te zien is. Afhankelijk van de kijkrichting is er een grote variatie qua kleur. Melanisme komt voor, maar de mate waarin individuen melanistisch zijn verschilt per regio. Gewoonlijk zijn de dieren roodbruin met een witte buikzijde, 's winters meer grijzig donkerbruin. De kleur wordt ook grijsachtiger naarmate de eekhoorn ouder wordt. De oorpluimen vallen vooral in de winter op. Een eekhoorn kan de haren op de pluimstaart opzetten.

Met zijn lange, gekromde klauwen kan hij makkelijk in bomen klimmen en van tak naar tak springen. Tijdens een sprong spreidt hij zijn ledematen, waarbij de losse huid op de flanken het dier helpt in de lucht te blijven. De pluimstaart dient als roer, waarmee hij zijn sprong kan sturen. Ook kan hij goed zwemmen. De lange staart, de elegante wijze van voortbewegen en de pluimpjes op de oren geven hem een hoge aaibaarheidsfactor.

De eekhoorn voedt zich met name met plantaardig materiaal als noten en zaden van sparren en pijnbomen. Verder eten ze knoppen, paddenstoelen, stukken boomschors, en soms dierlijk materiaal, als insecten, eieren en zelfs jonge vogels. Ook eten ze aarde om mineralen binnen te krijgen. De eekhoorn eet dagelijks vijf procent van zijn lichaamsgewicht aan voedsel. Net als veel andere knaagdieren leggen eekhoorns wintervoorraden aan.

De eekhoorn is een dagdier, dat zich meestal vlak na zonsopgang al laat zien. Ze zijn voornamelijk na zonsopgang en vlak voor zonsondergang actief. 's Winters laten ze zich alleen 's ochtends zien. De eekhoorn houdt geen winterslaap. In plaats daarvan houdt hij zich bij gure dagen in zijn nest verborgen, en bezoekt hij op betere dagen 's ochtends zijn wintervoorraad.

De Kauw met z'n ijskoude blik

Vanmorgen was een groepje Kauwen in het gras voedsel aan het zoeken, vlak achter de caravan, vanwaaruit ik ze mooi op de foto kon zetten. Sommige kwamen zo kort, dat ze aan de onderkant van het raam uit het zicht verdwenen.

De kauw (Coloeus monedula) heeft een mysterieuze, wat valse blik.

De kauw (Coloeus monedula) is een zangvogel uit de familie van de kraaien. Het is met een lengte van 34 tot 39 cm een van de kleinste leden van de familie. Deze intelligente soort leeft in groepen. Binnen groepen kauwen bestaat een uitgebreide sociale structuur met een pikorde, intriges en altijd zijn er 'verliefde' stelletjes te onderscheiden als ze aan het foerageren zijn. De paarband tussen kauwen duurt een leven lang en de vogels zijn bijna altijd onafscheidelijk.

Kenmerkend zijn de grijze kleur van de zijhals en het achterhoofd en de lichtgroen-grijze oogring. Vrijwel volledig zwarte exemplaren komen overigens ook voor. Kauwen komen meestal in groepen of paren voor, en foerageren vaak gezamenlijk in weilanden en wegbermen, ook binnen de bebouwde kom. De paarband blijft ook binnen een grotere groep waarneembaar. De roep is een tsjak-tsjak-achtig geluid. In de groep hebben ze veel geluiden waarmee ze communiceren, van vrolijk kwetteren tot zacht tokkelen (kikakaka ko). De bekendste roep is hun naam "kauw kauw". De dieren hebben complexe banden met elkaar en blijven als koppel elkaar trouw voor het leven.


Kauwen hebben een zeer uitgebreid menu, dat voornamelijk bestaat uit kleine ongewervelde dieren (zoals insecten, slakken en spinnen), zaden, granen, eieren en fruit. In de omgeving van de mens doen kauwen zich ook tegoed aan afval en karkassen van overreden dieren. Kauwen vertonen actief voedseldelen onder soortgenoten, onafhankelijk van het geslacht of de verwantschap tussen gever en aannemer. Dit voedseldelen gebeurt voornamelijk op initiatief van de voedseldonor. Kauwen kennen een uitgebreider voedseldelen dan waargenomen bij andere soorten, zoals chimpansees. De reden voor dit voedseldelen is nog niet volledig duidelijk. Twee hypothesen vinden ondersteuning: 1) een kauw geeft makkelijker aan een andere kauw indien hij er ook van krijgt (reciprociteit); 2) door voedseldelen kopen kauwen rust af en worden ze niet lastiggevallen door soortgenoten (intimidatie).

In Nederland en België nestelt de kauw meestal in groepen in bomen, gewelven van kerken en elders ook wel op rotswanden en in schoorstenen. De 4-5 eieren worden 16-17 dagen bebroed en de jongen vliegen na ongeveer 30-35 dagen uit.

Link: waarneming.nl/167762362/

maandag 18 februari 2019

Vlaamse gaai (Garrulus glandarius)

Vanmorgen was ik in Netersel en zag vanuit mijn caravan een Vlaamse gaai, achter het weiland, in de houtwal zitten. Er zitten meer Gaaien in de houtwal, daarom heb ik mijn oude caravan achter in het weiland gezet die nu dienst doet als fotohut.

Vlaamse gaai (Garrulus glandarius)

De gaai (Garrulus glandarius), ook wel Vlaamse gaai genoemd, is een opvallend gekleurde kraaiachtige. De wetenschappelijke naam van de soort werd als Corvus glandarius in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. De gaai is 32 tot 35 cm lang. De nominaatvorm van de vogel, die onder andere in de Benelux voorkomt, is overwegend grijsbruin met een roze tint. De keel, onderbuik, anaalstreek, de stuit en een gedeelte van de handpennen zijn wit. Kenmerkend zijn een brede zwarte snorstreep en een blauw vleugelveld dat bestaat uit lichtblauwe veertjes met daarin een fijne, zwarte bandering. De vogel kan bij opwinding de kruinveren opzetten, deze zijn afwisselend licht van kleur met zwart.


Voedsel vindt de gaai in bomen en struiken, in de lucht en op de grond; het betreft een breed spectrum van dierlijk en plantaardig dieet: insecten en ongewervelden (waaronder veel plaagdieren), eikels, beukennootjes, hazelnoten en andere zaden en noten, vruchten als bramen, kersen, frambozen en lijsterbessen. Ook kleine of jonge zangvogels en eieren behoren tot het dieet, evenals kleine knaagdieren. Met de sterke snavel hakt de gaai gaten in harde omhulsels als slakkenhuizen, notendoppen en eierschalen en doorwoelt hij bodem, dierenpoep en menselijk afval.

De eik is afhankelijk van de gaai voor het verspreiden van eikels: de gaai vervoert ze in zijn keel en tussen zijn snavel naar plaatsen met een zachte ondergrond, waarna hij ze in de aarde duwt. Zo legt hij een wintervoorraad aan. Hij vergeet alleen een aantal plekjes. Wat niet teruggevonden wordt, kan uitgroeien tot een nieuwe eik. Om deze reden wordt de gaai ook wel 'de grootste bosbouwer' genoemd. De Duitse naam voor de gaai (Eichelhäher) typeert het gedrag. De wetenschappelijke naam Garrulus glandarius valt vrij te vertalen als voortdurend krassende eikelzoeker.

Link: waarneming.nl/167762587

zaterdag 16 februari 2019

Sijsjes zoeken voedsel naast een rietkraag

De sijs (Spinus spinus synoniem: Carduelis spinus) is een zangvogel van de familie der vinkachtigen. In Nederland was de sijs vooral een wintergast, maar sinds de tweede helft van de 20ste eeuw broedt hij ook in Nederland.

Sijsjes zoeken voedsel naast een rietkraag. Op het water liggen nog zaden die daar opgewaaid zijn.

In de winter wordt de sijs regelmatig aangetroffen op vetbollen en netjes met pinda’s in de tuin. Sijzen opereren dan veelal in kleine groepjes, en gedragen zich enigszins als mezen: ondersteboven aan de vetbollen hangend. Ze zijn zo groot als een pimpelmees, maar veel duidelijker geelgroen gekleurd, vooral de volwassen mannetjes, die een zwarte kruin hebben. De vlucht is opvallend: gele vleugelstreep en gevorkte zwarte staart, met geel aan de zijden.

De lengte van kop tot staart is ongeveer 12 centimeter. Volwassen mannetjes zijn geelgroen met een zwarte kruin en kin, de rug is geelgroen - zwart gestreept. De buik heeft in tegenstelling tot de groenling een duidelijk onderbroken gestreept uiterlijk. De streep achter het oog en de stuit zijn geel. De gevorkte staart is zwart met geel aan zijden. De vleugel heeft een gele vleugelstreep. Het volwassen vrouwtje is veel minder geelgroen en de onderzijde is lichter en meer gestreept, de kop heeft geen zwart.

De juveniel is qua kleur gelijk aan het volwassen vrouwtje. Ze leven meestal in troepjes, dikwijls samen met barmsijsjes en putters.


De sijs zoekt voedsel op de mezenmanier, en hangt dikwijls ondersteboven. Hij slaapt soms ook zo. Hij eet zaden van naaldbomen, elzen, berken en andere bomen, knoppen en insecten. De sijs is in Nederland het hele jaar te zien. Buiten het broedseizoen (midden september tot april) is het een doortrekker en wintergast in soms zeer groot aantal. Het aantal broedvogels vertoont een grillig verloop in de tijd, het voorkomen draagt soms invasie-achtig karakter. In de jaren 1970 broedden in Nederland enkele tientallen exemplaren, rond 1990 was dit aantal 1800 - 2400 paren, maar rond 2007 wordt het aantal broedparen geschat op 500 - 1.200.

Link: waarneming.nl/167585206/

vrijdag 15 februari 2019

Eerste goedgekeurde Splijtende tandzwam

Woensdag 30 januari vond ik tijdens een wandeling door de bossen van Eersel een buisjeszwam, waarvan ik na wat zoeken vermoede dat het de Splijtende tandzwam was. Een algemeen voorkomende zwam, volgens velen, maar op de Verspreidingsatlas.nl zijn slechts 174 vindplaatsen (atlasblokken) gemeld tussen 1850 en 2019. Deze Splijtende tandzwam lijkt veel op de Witte variant van de tandzwam. Zonder microscopisch onderzoek kan niet worden vastgesteld welk van de twee soorten het betreft. Gisteren, donderdag 14 februari kreeg ik de resultaten van een microscopisch onderzoek binnen. Het microscoop onderzoek bevestigde dat het inderdaad de Splijtende tandzwam betreft. Dus heb ik een nieuwe waarneming aangemeld bij waarneming.nl, die niet lang daarna werd goedgekeurd. Dit is de eerste sinds 2012 die de goedkeuring kreeg.

Splijtende tandzwam. Microscopisch onderzoek is nodig om te onderscheiden van de verwante Witte tandzwam.

Op waarneming.nl staat er nog een die goedgekeurd zou zijn. Deze is op 03-03-2012 gevonden in Hoog Keppel - Hekenbroek, Gelderland. Bij die waarneming staat vermeld; 'microscopisch onderzocht', maar een foto van de sporen en / of maten van de sporen staan daar niet bij. Iets wat tegenwoordig vereist is. Was die validatie geldig? Ik ben waarschijnlijk de eerste die de validatieprocedure succesvol en volledig heeft doorlopen.

Bovenstaande foto's van de Splijtende tandzwam, genomen op de dag van de vondst - 30 januari 2019.

Microscopisch onderzoek laten verrichten was niet vanzelfsprekend. Een oproep op het forum van Waarneming.nl leverde geen reacties op. Een mail naar waarneming, met de vraag of zij mij konden helpen leverde niet meer op dan een antwoord, dat men zou navragen binnen de organisatie. Een telefoontje met KNNV Tilburg gaf even wat hoop, maar zij stuurde later een bericht waar in gesteld werd dat ze niet elke zwam onder een microscoop konden leggen en dat de verschillen zo klein waren dat het onder de microscoop nog geen uitgemaakte zaak zou worden. Hadden ze er geen zin in, of is er een gebrek aan kennis?

Daarna heb ik NMV-Mycologen gevraagd of zij mij konden helpen. De consul van NMV-Mycologen, afdeling Noord Brabant kwam met de verlossende bereidheid om de zwam te onderzoeken. Van Ton Hermans, Consul Noord Brabant van NMV-Mycologen kreeg ik het verlossende antwoord: "Op grond van de maat van de sporen mag geconcludeerd worden dat het om Schipora radula (Splijtende tandzwam) gaat. De sporen zijn tussen de 4 en 5,5 µm, dus duidelijk gemiddeld minder dan 5,5 µm. Ook de oranje vleug op de vruchtlichamen wijst op S. radula. Als bijlage een foto van de sporen."

Deze foto's van de Splijtende tandzwam zijn 4 februari gemaakt, vijf dagen na de vondst. De zwam ontwikkeld zich nog verder.

Soort beschrijving:
De Splijtende tandzwam en de Witte tandzwam (Schizopora radula en Schizopora paradaxa) zijn dubbelgangers die in het veld niet van elkaar zijn te onderscheiden. Het zijn witte buisjeszwammen waarvan de poriënwanden na verloop van tijd uiteenvallen waardoor een tandvormig uiterlijk ontstaat. Dit gaat mogelijk bij de Splijtende tandzwam minder snel, maar dit vormt geen bruikbaar kenmerk. De soort verschilt van chizopora paradoxa door de meer creme-oranje (en niet witte tot bleek gele) kleur en de vaak capitate hyphen van de rand van de poriën (niet gezwollen bij chizopora paradoxa). Het enige betrouwbare kenmerk zijn de kleinere sporen van de Splijtende tandzwam: gemiddelde sporenlengte kleiner dan 5,5 µm bij de Splijtende tandzwam en groter dan 5,5 µm bij de Witte tandzwam.

Het verdient aanbeveling rijpe sporen te meten afkomstig uit een sporee (op een objectglaasje). Indien geen sporen zijn gemeten, dient de waarneming als "Witte tandzwam sl, incl. Splijtende tandzwam" te worden opgegeven. Beide soorten worden soms ook in het geslacht Hyphodontia ondergebracht.


Foto's vijf dagen na de vondst:

De uitvergroting van deze zwam. De pijpjesstructuur (gaatjes) is met het blote oog niet te herkennen.

Deze zwam groeit aan de onderkant van een dode zomereik tak.

Zeldzaamheid:
Ik heb mijn twijfels over de omschrijving; "zeldzaamheid; vrij algemeen". Het is een feit dat er maar drie goedgekeurde meldingen bekend zijn bij waarneming.nl. Van mijn vondst zijn twee waarnemingen, beide van de zelfde locatie, dus maar 1 vondst. De vondst uit 2012 uit Hoog Keppel - Hekenbroek, Gelderland, laat ik voor geldig aan nemen. Uit welke periode de 174 atlasblokken die op de Verspreidingsatlas vermeld staan stammen is niet duidelijk. Even min op welke manier die waarnemingen gevalideerd zijn. De waarnemingen op waarneming.nl zijn waarschijnlijk nooit deugdelijk onderzocht. De algemeenheid van de Splijtende tandzwam is daarom niet echt gefundamenteerd. Niet onderzochte meldingen worden niet gevalideerd, en hebben daarom feitelijk geen waarde. Ze hebben evenveel waarde als meldingen zonder bewijsmateriaal, zoals meldingen zonder foto’s. En dat is de reden dat ik daar middels een microscopisch onderzoek verandering in wou brengen.

Onderzoeksresultaat:

Microscopie foto van de sporen van de Splijtende tandzwam (Schipora radula).

UPDATE 14-02-2019:
Goedgekeurd na microscopie. "Groeit aan de onderkant van een dode zomereik tak. Het materiaal is onderzocht door Ton Hermans, Consul Noord Brabant van NMV. Op grond van de maat van de sporen mag geconcludeerd worden dat het om Schipora radula gaat. De sporen zijn tussen de 4 en 5,5 µm dus duidelijk gemiddeld minder dan 5,5 µm. Ook de oranje vleug op de vruchtlichamen wijst op S. radula. Als bijlage een foto van de sporen."

Melding op Waarneming.nl: https://waarneming.nl/observation/167069236/ en https://waarneming.nl/observation/167511634/

Mijn vondsten zijn de enige twee meldingen die ooit goedgekeurd zijn door Waarneming.nl.