vrijdag 23 juli 2021

Mijn visuele natuurverhalen

Mijn naam is Jozef van der Heijden. Ik woon in de Brabantse Hulsel.
Ik fotografeer al sinds de 70er jaren. Ik begon met een kleinbeeld fotocamera en een Super 8 filmcamera met geluidsregistratie. Op de boerderij filmde ik Groenlingen en Kneuen die de jongen op hun nest verzorgde. Mijn interesse gaat naar de natuur in het algemeen. Van vogels tot paddenstoelen, mossen, korstmossen en  landschappen. Maar vogels fascineren mij wel het meest. Daarnaast ben lid van diverse natuurbescherming organisaties (zie de logo's hieronder).

Hoewel vogels mijn voorkeur genieten, ontdekte ik op 4 januari 2019 de Opkrullende strookzwam in de bossen van Hapert, officieel de 19e geregistreerde vondst in Nederland sinds 1855 en de eerste sinds 1985. Daarna vond ik nog twee plaatsen waar deze zeer zwam voor kwam. Op 16 oktober 2019 vond ik op Landgoed Wellenseind de eveneens zeer-zeldzame Kroontjesknotszwam. Verspreidingsatlas.nl meldt sinds 1990 slechts 105 vindplaatsen in Nederland.

Volg mij op: Facebook Twitter YouTube en met www.jozefvanderheijden-foto.nl. Mijn onderwerpen: Alles wat de natuur gedurende de vier jaargetijden biedt.

Nest van Grauwe vliegenvanger naar Naturalis

Vanmorgen is het oude nest met eitjes van de Grauwe vliegenvanger door Pepijn Kamminga - Senior Collectionmanager Birds & Mammals van Naturalis - bij mij opgehaald. Ik vond het nest 3 oktober van vorig jaar op de zolder van onze schuur. Een Grauwe vliegenvanger had het nest voortijdig verlaten en was nog in perfecte staat. Mogelijk is een van beide broedvogels ten prooi gevallen door een predator. Via Sovon ben ik eind vorig jaar in contact gekomen met Naturalis.


Het verlaten nest van een Grauwe vliegenvanger, met de eitjes er nog in. (foto's gemaakt met de telefoon)

Het Nederlands Centrum voor Biodiversiteit Naturalis is ontstaan uit een fusie tussen het Zoölogisch Museum Amsterdam, het Nationaal Herbarium Nederland en Natuurhistorisch Museum Naturalis. Sinds 2012 wordt de naam Naturalis Biodiversity Center gebruikt. Het instituut beheert het grootste deel van de Nederlandse natuurhistorische collecties. De totale collectie van Naturalis Biodiversity Center behoort qua omvang tot de top vijf van de wereld en telde in 2015 ruim 42 miljoen objecten. Het museum informeert het publiek over de biodiversiteit op aarde. Belangrijk onderdeel hiervan is de ontwikkeling van moderne educatieve trajecten voor basis- en voortgezet onderwijs. In 2014 trok het museum 303 duizend bezoekers, waaronder 50 duizend leerlingen.

Naturalis had nog geen nest van de Grauwe vliegenvanger in de collectie en waren erg geïnteresseerd is het nest. Het nest zou al eerder opgehaald worden, maar is de de Corona pandemie en de contactbeperkingen uitgesteld tot het risico op besmetting was afgenomen. In bijna 200 jaar tijd is de (rijks)collectie van Naturalis uitgegroeid tot een verzameling van ruim 40 miljoen objecten! Die enorme hoeveelheid objecten uit de natuur is de basis voor onderzoek naar wereldwijde biodiversiteit en geologie. Onze collectie is onderverdeeld in: botanie, geologie, gewervelden, ongewervelden, entomologie, boeken en type-catalogi. Ondanks de grote omvang van de collectie (waaronder ruim 380 duizend vogels) is er nog altijd iets wat er nog ontbreekt. Zoals het nest met eitjes van een Grauwe vliegenvanger. Ik had ook nog twee nesten van een Koolmees die niet uitgebroed waren. Ook die zijn mee naar Leiden voor het natuur museum.


Grauwe vliegenvangers houden zich vooral op in bosranden en open bossen, maar ook in open gebouwen zoals een open schuur. Vanaf één of meerdere vaste uitkijkposten maken ze korte snelle vluchten achter vliegende insecten aan, die vaak in de lucht gevangen worden of van bladeren worden afgepikt. De grauwe vliegenvanger is grijsbruin van kleur en valt daardoor niet op. Ook het geluid is niet erg opvallend, waardoor de soort vaak over het hoofd wordt gezien.

woensdag 14 juli 2021

Visjes en amfibieën schouwing BZ watergang

De eerste stap voorafgaande aan de herinrichting van 'Beekdal de Groote Beerze' is het vervangen van de duikers onder de weg aan de Westelbeersedijk, waar de BZ40 waterloop onderdoor stroomt, richting de Groote Beerze. De nieuwe duikers kregen bovendien een verhoogde ligging en loopt nog zo'n 80 meter door, voorbij de verkeersweg. Het herinrichtingsproject (traject 1) heeft betrekking op het deel van de Groote Beerze tussen de Hoeven in Netersel tot aan het einde van natuurgebied De Grijze Steen, gelegen aan de Westelbeersedijk te Casteren.


Visjes en amfibieën schouwing BZ watergang

Het water vanaf de akker wordt afgevoerd via deze BZ40 loop en stroomt naar de Groote Beerze. Door de verhoging van de beekbodem is het ook nodig om de duikers onder de weg hoger te plaatsen. Dood een verhoogde beekbodem is er minder drainage met als resultaat een hoger grondwaterpijl. Om te voorkomen dat visjes en amfibieën tijdens de graafwerkzaamheden in het nauw komen wordt een zand barrière in de sloot opgeworpen die gaande weg verder wordt opgeschoven richting de beek. Zo stuwt men de in het water levende dieren voor zich uit. Om te controleren wat er nog aan visjes of amfibieën dicht bij de zandbarrière in het water achter is gebleven worden er schouwingen in de BZ waterloop uitgevoerd.

Een BZ watergang is een categorie B Watergang. Er zijn A, B en C wateren. A-wateren zijn de belangrijkste waterafvoergangen van een regio, zoals grotere sloten, beken en waterplassen, die belangrijk zijn voor een goede waterhuishouding. Deze wateren worden door of namens het waterschap onderhouden. B-wateren zijn (kleine) kavelslootje tussen twee perceeleigenaren. Zodra een oppervlaktewaterlichaam een maatgevende afvoer heeft van meer dan 10 liter per seconde en het is geen A-water, dan spreken we van een B-water.

Marcel Cox uit Aarle-Rixtel, van 'Natuurlijk Marcel - Land, Water & Ecologie' zorgt voor de schouwing. In de video legt hij uit wat de schouwing in houdt. De zeelt (Tinca tinca), genoemd in de video, ook gekend onder de namen louw/lauw en muidhond/moethond is een vis, die tot de karperachtigen behoort en tot ca 70 cm lang kan worden.

Zeelten leven over het algemeen in flink begroeide stilstaande of langzaam stromende wateren met een zachte modderige bodem, waar ze zich overdag meestal passief in de vegetatie verschuilen. Als de zeelt voedsel zoekt, zuigt hij bodemmateriaal op, waaruit de eetbare diertjes worden uitgefilterd, of hij zuigt diertjes van de vegetatie af. Als voedsel dienen met name waterslakken en verder erwtenmosseltjes, kreeftachtigen, insectenlarven en plantendelen.

Bezoek ook mijn Youtube kanaal: https://www.youtube.com/JozefvanderHeijden

donderdag 8 juli 2021

De vogels komen weer tevoorschijn

Het broedseizoen loopt op z'n einde, en dat merk je aan het aantal vogels die zich weer laten zien. Vanmorgen fotografeerde ik in een goed half uur een aantal foto's die ik hieronder toon. Behalve deze vogels kwamen nog een paar soorten dicht bij, maar niet voldoende of lang genoeg om er een foto van te maken. Zo zag ik heel even de Vlaamse gaai, een paar Merels, een Holenduif en de Boomklever en Tjiftjaf die ik gisteren bij mijn fotohut fotografeerde.


De Zwartkop vrouw liet zich gisteren en vandaag enkele malen zien, terwijl het mannetje boven in een boom zat te zingen.

De zwartkop is van kop tot staart ongeveer net zo groot als een koolmees, alleen heeft de zwartkop een kortere staart als de koolmees en heeft de zwartkop een iets zwaarder lijf. De zwartkop dankt zijn naam aan de zwarte pet op zijn kop, die alleen het mannetje draagt. Het vrouwtje heeft een roestbruine pet. Bij het mannetje is de rest van het verenkleed grijs, bij het vrouwtje grijsbruin. Een jong mannetje heeft in de winter een zwarte pet, met bruine vlekken. De zwartkop vliegt weinig en laat zich vooral horen.

De zwartkop broedt in bossen en halfopen landschappen met bomen en struiken. Leeft bij voorkeur in loof- en gemengde bossen met een rijke ondergroei van vooral bramen. Komt ook voor in parken, tuinen en andere halfopen landschappen met bomen en struiken. Zwartkoppen trekken grotendeels weg vanaf half augustus tot half oktober naar het zuidwesten, samen met Duitse en Scandinavische broedvogels. Ze overwinteren in Zuid Engeland of het westelijk deel van het Middellandse Zeegebied: voornamelijk Spanje, Marokko en Algerije. Zwartkoppen keren in begin april terug in Nederland en steeds vaker al in maart.


De Vink man en vrouw (drinkend).

De Vink is een zangvogel die bekent is om zijn zang, waarvan de laatste tonen de "vinkenslag" wordt genoemd, kent vele dialecten. Vinken leven in bossen, boomrijke tuinen en parken. Ze eten namelijk (afgevallen) zaden en zachte plantendelen, zoals bladknoppen. Het mannetje heeft in broedkleed een blauwgrijs petje, een oranjerode borst en wangen. De staartveren zijn zwart, behalve de (witte) buitenste staartpennen. Het vrouwtje is minder opvallend en wordt nog wel eens aangezien voor een vrouwtjes mus. Het meest opvallende kenmerk van de vink zijn de twee witte vleugelstrepen. Dat is ook waarmee u de vrouw het best van een mus kunt onderscheiden.

De drinkende vink is een vrouwtje. De meeste vogels drinken door een slokje te nemen uit een plas of drinkschaal en vervolgens hun kop naar achter te buigen. Duiven drinken door hun snavel in het water te steken en het water vervolgens als door een rietje op te zuigen. Zaadetende vogels moeten meer drinken als insecteneters. Insectenetende vogels krijgen water binnen via hun sappige prooien. Zwaluwen drinken vaak door met een opengesperde snavel vlak over het water te scheren en zo in de vlucht water op te scheppen. Ook roofvogels en uilen halen hun vocht uit het vlees van hun slachtoffers. Niettemin moeten alle vogels nu en dan water drinken, bij warm weer soms zelfs enkele malen per dag. De meeste tuinvogels gebruiken een of twee drinkmethoden.


De Groenling man en twee juveniele.

Een Groenling is ongeveer 15 centimeter lang. Het mannetje is (fel) olijfgroen van kleur, vooral op de stuit. De rug heeft een bruine tint en de onderzijde is meer geelachtig. De randen van de vleugel en de meeste staartpennen zijn aan de basis helder geel. De dikke snavel is bijna wit en de poten zijn vleeskleurig. Het vrouwtje is minder intens van kleur, zij is meer grijsgroen en haar geel in de veren is veel valer. Een juveniel grijzer dan vrouwtje en gestreept op de borst en flanken.

De Groenling broedt in halfopen landschappen, veel in de bebouwde omgeving, maar ook bij bosranden of in bos met veel open plekken. Buiten het broedseizoen ook op akkers en braakliggende terreinen met veel voedsel. Groenlingen eten veel soorten zaden en bessen. In de nazomer vaak terug te vinden op hondsroos, waarvan groenlingen de rozenbottels eten.


De Roodborst was vergezeld door de juveniele (jeugdige) van dit broedseizoen.

In deze tijd van het jaar zijn er veel jonge Roodborstjes, juveniele. De roodborst is een zeer talrijke broedvogel van grote tuinen, parken en bossen. Roodborsten zijn vaak erg nieuwsgierig en goed van vertrouwen. Tegen soortgenoten zijn zowel mannetje als vrouwtje daarentegen heel agressief en verdedigen zomers en 's winter fel hun territorium. Ze tonen daarbij de rode borstveren. Meestal maken ze hun nesten goed verborgen op de grond. Om te voorkomen dat de jonge Roodborstjes niet door hun eigen ouders verjagen worden hebben ze nog geen rode borst. Het kleine bruine vogel met kenmerkende oranjerode borst en gezicht en een lichte onderbuik. Leeft buiten de broedperiode solitair. Jonge vogels zijn lichtbruin gevlekt.

Roodborsten zoekt voedsel op de grond of vanaf zitplaatsen. Ze broeden van april tot in juli. Het zijn halfholenbroeder, maar bouwt ook open nesten; broedt op of laag boven de grond in een boom, muur of in dichte klimplanten. Het is een slordig nest van grassen en bladeren. De jongen zitten 13 tot 15 dagen op het nest. Als ze zijn uitgevlogen jongen worden ze nog 2 tot 3 weken verzorgd.


Aan Koolmezen geen gebrek. Beide foto's op de onderste rij tonen een Koolmees met een kale kop, als gevolg van een heftige rui.

Soms zie je een vogel met een hele kale kop en nek. Het verenkleed is vaal, er steken her en der (gebroken) veren uit en de vogel heeft kale plekken. Hij lijkt ziek, maar is het niet! Zo ongezond kunnen vogels er nu eenmaal uitzien tijdens de rui. Maar na de rui zijn ze weer als herboren. Spik en span en klaar voor de winter, of om naar een ander continent te vliegen. De Koolmees op de foto lijkt alleen op z'n kop last te hebben van kaalheid, maar langs zijn borst steekt ook een veer naar buiten. Als de veren massaal uit de vleugels loskomen wordt het vliegen moeilijker. Dan lopen ze het risico om ten prooi te vallen van een predator.

Verder vallen de oude veren van vogels uit rond juli - augustus en groeien er nieuwe aan. Dat heet ‘in de rui gaan’. Met minder veren is het moeilijk vliegen, dus dan word je nog eens extra snel opgegeten als je opvalt. De oplossing: verstoppen. Ruien kost bovendien veel energie, dus je gedeisd houden is handig. Dat klinkt niet goed. Waarom gebeurt het dan toch ieder jaar bij alle vogels? Ook dat is simpel: hun verenkleed verslijt in een jaar. Het verslijt zo erg, dat ze niet goed meer kunnen vliegen, op temperatuur blijven of voedsel zoeken. Dat klinkt ook niet goed, dan toch maar vervangen die veren.


De Pimpelmees en een juveniele die een bad neemt.

De pimpelmees is kleiner dan de koolmees en heeft een korte snavel. Het mannetje en vrouwtje zijn zo goed als gelijk en hebben beide een blauwe kruin met witte begrenzing. De bovenzijde is groenachtig en de onderzijde geel zonder zwarte streep. De pimpelmees heeft blauwe vleugels met een witte vleugelstreep. Het juveniel is op de kop groenachtig (dus niet blauw) en op de wang geelachtig. De pimpelmees broedt in loofbossen, gemengde bossen, bosschages, heggen, parken en tuinen met bomen. Het is grotendeels een standvogel. Hij maakt een viltig nest van zachte plantendelen, wol, haren en veren. Hij nestelt in boomholtes, gaten in muren en nestkasten. Soms wordt er op ongewone plaatsen genesteld zoals in brievenbussen.

Er wordt een grote intelligentie toegeschreven aan deze vogel, deels omdat hij in staat is om nieuwe voedselbronnen te vinden. Zodra er een nieuwe manier van voedsel gevonden is ontdekt, leren pimpelmezen snel van elkaar. Als een zeer regelmatige bezoeker van voederapparaten in de tuin valt hij op door zijn behendigheid met poten en snavel tijdens het eten. Uit onderzoek is gebleken dat meer dan honderd pimpelmezen na elkaar een tuin kunnen bezoeken. Pimpelmezen bouwen hun nesten in holle bomen, maar ze accepteren gemakkelijk nestkasten. Ze keren daar ook vaak terug. De soort is de meest frequente gebruiker van nestkasten in tuinen. Nadeel is wel dat de voorraad rupsen in een tuin minder is dan in een bos. Reden is dat er minder bomen in een tuin staan. Rupsen vormen het hoofdvoedsel voor het grootbrengen van jongen.

woensdag 7 juli 2021

Ook de Tjiftjaf kwam even drinken en ruziën

Met enige regelmaat verschijnt de Tjiftjaf in Netersel bij mijn fotohut. Zo ook vanmorgen weer, toen het kleine vogeltje kwam drinken in de vijver. De Tjiftjaf was zoals ik dat al zo vaak heb gezien een beetje aan het ruziën met de koolmezen, waarbij opviel dat de Tjiftjaf sneller en behendiger in het vliegen is als de koolmees. Door dat geruzie blijft de Tjiftjaf niet zo lang rond fotohut hangen. Na wat drinken, en soms een kort bad is het vogeltje al weer snel vandoor.


De Tjiftjaf verblijft elk jaar in de grote tuin waar onze schuur en mijn fotohut staat.

De tjiftjaf is een klein zangertje. Zonder al teveel echt opvallende kenmerken. Een deel van de populatie trekt in de winter naar het zuiden. Tjiftjaffen lijken sterk op fitissen. Er zijn echter wel een aantal verschillen. Allereerst zijn in het voorjaar de mannetjes makkelijk uit elkaar te houden op grond van hun zang. Een tjiftjaf roept min of meer zijn eigen naam (hoewel het vaak eerder een tjaftjif is, dan een tjiftjaf) een fitis heeft een beetje een aflopend riedeltje dat hoog begint en laag eindigt. Beide geluiden zijn hier op de site bij de soortoverzichten te beluisteren.

Maar er zijn meer verschillen. Deze zijn echter wel wat lastiger. Allereerst de subtiele verschillen. Deze zijn vaak een goede aanwijzing maar niet echt harde kenmerken. De poten van een tjiftjaf zijn over het algemeen donkerder dan van een fitis. Verder is een tjiftjaf vaak wat treurig groen/ bruin/ olijf gekleurd en een fitis vaak wat levendiger groen/ geel/ wittig gekleurd. Fitissen hebben een iets markantere koptekening omdat de wenkbrauwstreep vaak wat lichter van kleur is en wat langer is dan bij de tjiftjaf. Een tjiftjaf is ten opzichte van een fitis vaak wat compacter, een fitis juist wat langgerekter. Fitissen hebben ook een langere vleugel dan een tjiftjaf, in het veld is soms de langere handpenprojectie van de fitis te zien.


Ringers zullen het kenmerk van de versmallingen op de buitenvlaggen van de handpennen kennen. Van buitenaf tellend en beginnend bij de hele kleine handpen die dicht bij de duimvleugel (=alula) zit, heeft de tjiftjaf 6 handpennen met zo´n versmalling en de fitis slechts 5 handpennen met zo´n versmalling. In het veld is dit kenmerk onbruikbaar.

Er bestaan nog enkele voormalige ondersoorten die tegenwoordig ook de soortstatus hebben. Een aantal van hen kan in Nederland als zeldzaamheid worden waargenomen (Iberische tjiftjaf en Siberische tjiftjaf). Ze zijn moeilijk te determineren en onderscheiden zich op basis van afwijkend geluid en verenkleed.

De Boomklever kwam eten, drinken en baden

Na een korte pauze van fotografie dook ik vanmorgen weer eens in de fotohut die ik in Netersel bij onze schuur heb. Ik was benieuwt wat er zou komen. Gedurende de broedperiode was het er erg rustig. Vandaag viel dat reuze mee. Veel leuke vogels, en vaak allemaal tegelijk. Jammer verdween de zon regelmatig achter de wolken, waardoor ik met een lange sluitertijd moest werken. Daardoor had ik veel foto's die bewegingonscherpte hadden, maar ook veel erg mooie foto's. Hier de Boomklever.


De Boomklever bij de fotohut. In totaal zag ik er drie. Een man, een vrouw en een juveniele.

Om niet ten prooi te vallen aan predatoren (roofdieren) zie en hoor je tijdens het broedseizoen veel minder vogels. Ze willen zich schuil houden en minder opvallen. Als ze zich zichtbaar en hoorbaar op zouden houden in de nabijheid van het nest, zou dat katten, eksters, gaaien, sperwers, marters, eekhoorns en ander (roof)dieren aan rekken die de eitjes en de jonge vogels in het nest weg zouden kunnen roven. Voordat de broed begint hoor je ze wel veel meer. In het begin van het voorjaar zijn de mannetjes op zoek naar de vrouwtjes om te paren. Dan volgt een periode dat ze het territorium hardnekkig verdedigen. Dat doen ze met hun zang, vaak een net iets andere zang als de parings lokzang. Zo weten soortgenoten dat ze daar weg moeten blijven, omdat er al een koppel is gevormd en niet lastig gevallen willen worden.


De Boomklever maakt dankbaar gebruik van het water om te drinken en te baden (de vogel rechts onder is een juveniele).

De boomklever (Sitta europaea) is het enige lid van de familie boomklevers (Sittidae) in de Benelux. Boomklevers zijn de enige vogels die met evenveel gemak zowel omlaag als omhoog langs een boomstam bewegen en daarin onderscheiden ze zich van spechten en boomkruipers die alleen omhoogklimmen langs boomstammen. Bovendien gebruiken spechten hun staart om op te steunen en dat doet de boomklever niet. De boomklever is een korte, dikke en actieve vogel met een krachtige puntige snavel. Hij is vrijwel in geheel Europa een tamelijk algemene standvogel. De opvallende en helder klinkende roep is vaak de eerste aanwijzing van zijn aanwezigheid. In de winter is hij een geregelde bezoeker van tuinen waarin pinda's worden aangeboden.


De Boomklevers kwamen eten, drinken en baden

Ze leven in licht loof- en gemengd bos met ondergroei, vooral met oude en hoge bomen. Ook in parken en lanen en in de winter ook op de voedertafel. Op het menu staan veel insecten, zaden, noten, vruchten, graan en bessen. Harde noten zet hij tussen het boomschors vast en hamert ze dan van bovenaf stuk. Grotere insecten worden met de snavel in stukjes geknipt. De boomklever legt ook voorraden aan.


Andere kozen er voor om te zonnebaden. De warmte moet de parasieten verjagen.

Het geluid van de Boomklever is een helder fluitend 'twiet-twiet-twiet' en een meesachtig 'tsit'. Bij opwinding een schel trillend 'tirr'. De zang is een luid 'tuwiehe-tuwiehe', ook wel omschreven als een kwelend 'tu-tu-tu' (dat enigszins aan de zang van een nachtegaal doet denken). Deze zang gaat over in 'kwie-kwie' en haastig 'twet-twet-twet'. Aan zijn zang kan de boomklever eenvoudig worden herkend.

dinsdag 6 juli 2021

Heksenboter, een slijmzwam in de zomer

Vanmorgen wandelde ik in Netersel door ons bos en zag een boomstronk met Heksenboter. Heksenboter is een slijmzwam en geen zwam. Een aparte klasse die ook in de zomer voor komen. Als het veel geregend heeft en de temperatuur is nog aan de lage kant, kan de slijmzwam uit het substraat komen. In dit geval op het zaakvlak uit de poriën van de een dennenboom.


Heksenboter bestaat uit een geel plasmodium dat zich kan verplaatsen en daarbij een vaak glanzend kruipspoor achterlaat.

Heksenboter of runbloem (Fuligo septica) is een slijmzwam in de familie Physaraceae. Het bestaat uit een geel plasmodium dat zich kan verplaatsen en daarbij een vaak glanzend kruipspoor achterlaat. Heksenboter voedt zich met micro-organismen. Hij komt algemeen voor op dood hout. Net als andere plasmodiale slijmzwammen heeft Heksenboter een levenscyclus met verschillende stadia. Als spore wordt het gemakkelijk passief verplaatst, bijvoorbeeld door de wind en door insecten. De spore is haploïd en na versmelting van een complementaire spore ontstaat een flagellate cel met één celkern. Deze groeit uit tot een plasmodium met een groot aantal celkernen. Het plasmodium is omgeven met een eenvoudig membraan en kan zich op eigen kracht verplaatsen. Ten slotte verhardt het plasmodium aan de buitenkant en vormt daar sporen, en dan begint de cyclus opnieuw.


In een Braziliaans onderzoek werd geconcludeerd dat de sporevorming van heksenboter bevordert wordt door regenval. Overigens wordt de aanwezigheid van Heksenboter op bagasse van suikerriet beschouwd als een risico voor de werkers: het veroorzaakt allergieën en andere ziekten. Heksenboter bevatte in een Duits onderzoek 240 maal meer zink dan de omgeving, en ook de gehaltes aan koper en cadmium waren veel hoger dan de omgevingswaarden. Het gehalte aan calcium was 11% van het drooggewicht van het organisme.


Het vreemde voorkomen heeft geleid tot prachtige verhalen: In Zweden vertelde men dat heksen en trollen ‘s nachts de koeien melken en na het karnen met de boter hadden geknoeid. In Texas dacht men dat een buitenaards wezen was geland, toen daar een bewegende slijmklodder werd gevonden. Toen de brandweer het trachtte weg te spuiten vertakte het ‘wezen” zich, waarna het door het water sterk opzwol en groeide. De gouverneur wilde juist de Nationale Garde oproepen toen een paddenstoelenkenner het herkende als een veelvoorkomende slijmzwam. Het blijft een vreemd wezen.

Zo kan het zijn dat je Heksenboter ziet en even later terug komt niets meer terug te vinden is. Daar dankt deze slijmzwam ook zijn naam aan. Het lijkt wel behekst.