donderdag 9 april 2026

Mijn visuele natuurverhalen

Mijn naam is Jozef van der Heijden. Ik woon in de Brabantse Hulsel. Ik fotografeer al sinds de 70er jaren. Ik begon met een kleinbeeld fotocamera en een Super 8 filmcamera met geluidsregistratie. Op de boerderij filmde ik Groenlingen en Kneuen die de jongen op hun nest verzorgde. Mijn interesse gaat naar de natuur in het algemeen. Van vogels tot paddenstoelen, mossen, korstmossen en  landschappen. Maar vogels fascineren mij wel het meest. Daarnaast ben lid van diverse natuurbescherming organisaties.
(zie de logo's hieronder)

Volg mij op: Facebook Twitter YouTube FacebookTwitterYouTube Facebook Twitter YouTube en met jozefvanderheijden-foto.nl. Onderwerpen: Alles wat de natuur gedurende de jaargetijden bieden.
Bezoek ook mijn YouTube kanaal; youtube.com/JozefvanderHeijden met 391 video's en 916 abonnees.

De kneu zingt vanaf een boomtop

Tot de jaren 80 van de vorige eeuw waren de kneuen nog in redelijke getale te zien bij boerderijen met struiken en bomen, zoals boomgaarden die toen nog deel uitmaakte van het boerenerf. De vele hagen die voor de erfafscheiding zorgde, was voor de kneu een veilige plaats om te broeden.


De kneu zingt vanaf een boomtopšŸŽ¤

Nu zien we ze voornamelijk op de halfopen heide. Mannetjes zingen daar vaak vanaf een opvallende plek, zoals de top van een struik of boom. De zang is melodieus en vrolijk, vaak bestaande uit een snelle reeks tonen, knetterende geluiden en fluittonen. De kneu is een kleine vinkachtige. Mannetjes hebben in de zomer een opvallend rode borst en voorhoofd.

De kneu broedt in lage struiken en struwelen nabij kruidenrijke vegetaties, in allerlei tamelijk open landschappen. De zang is gevarieerd, doorspekt met een kenmerkende roep, vaak lang aanhoudend. Sinds de jaren 1979 en 1985 is de broedpopulatie van de kneu in Nederland met meer dan de helft afgenomen. Destijds waren er nog ongeveer 60.000 tot 130.000 paren, maar de populatie is sindsdien sterk gedaald.

maandag 6 april 2026

Waar dankt de Winterkoning zijn naam aan?

Waar dankt de Winterkoning zijn naam aan? Lang, lang geleden kwamen alle vogels bij elkaar om een koning te kiezen. Net zoals de landdieren ooit de leeuw als koning hadden gekozen, wilden ook de vogels een koning waar ze trots op konden zijn. Vele vogels betwistten elkaar de eretitel, vooral de grote vogels zoals de blauwe reiger, de jan van gent, de uil en de zeearend. Daarom werd besloten om een wedstrijd te houden: de vogel die het hoogst kon vliegen mocht zich koning of koningin van de vogels noemen.

De Winterkoninkje zingt, schel en hard: "ik ben de koning, ik ben de koning, ik ben de koning".

Op een windstille zonnige dag verzamelden alle vogels die een gooi naar het koningschap wilden doen, zich op een weidse vlakte. De kwartel, de korhoen en de meerkoet waren toeschouwers omdat deelname zinloos was door hun geringe vliegprestaties. De graspieper en de veldleeuwerik kwamen heel ver, maar gaven na een paar honderd meter op en fladderden vrolijk zingend naar beneden. De arend, de buizerd en de ooievaar cirkelden met een rustige vleugelslag gestaag naar grote hoogten. De knobbelzwaan met zijn dikke lijf en zwiepende vlucht kwam tot ieders verbazing heel hoog, in gezelschap van de bosuil met zijn geruisloze vleugelslag. De zwaluwen schoten als een raket omhoog. Alle vogels op de grond keken vol spanning naar de ontknoping. Uiteindelijk vlogen alleen de gierzwaluw en de zeearend naar ijle hoogten, tot ze naar adem moesten happen. De ranke zwaluw erkende tenslotte zijn meerdere in de grote zeearend met vleugels als kamerdeuren. De arend krijste zijn rauwe overwinningskreet de lucht in en stortte zich glorieus naar beneden. Maar tot zijn ontzetting vloog vanuit zijn rugveren een klein bruin vogeltje, dat al schetterend nog een metertje hoger vloog.

Verbijsterd keken alle andere vogels in een doodse stilte toe hoe na de grote zeearend een heel klein vogeltje landde en kwetterend riep "ik ben de koning, ik ben de koning!" Dat vogeltje was zo’n klein en onbetekenend bruin gekleurd bolletje veren, dat deze niet eens een naam had. Met zijn spitse snaveltje en eigenwijze staartje dat omhoog wees, stond het trots met zijn borst vooruit in de kring. Maar alle vogels waren boos over het valse spel van het kleintje en wilden hem straffen. Het kleintje vloog snel weg uit angst voor de boze vogels met prikkende snavels. Die angst is gebleven en daarom leeft hij tot op de dag van vandaag schichtig in de beschutting van het kreupelhout en laat zich zelden goed zien.

Toen de zeearend na zijn nederlaag een nachtje had geslapen, vloog hij naar de rand van het bos en riep de kleine vogel. "Ik heb er diep over nagedacht en wil een voorstel doen. Kunnen wij het koningschap delen? Jij koning in de winter en ik in de zomer?” Dat vond het kleine verenbolletje een goed idee. Daarom kreeg hij een naam: winterkoning. En hij is zo blij met het gedeelde koningschap dat hij ook in de winter zingt. Je kunt hem het hele jaar door horen, maar vooral heel goed in de winter, als bijna alle andere vogels stil zijn. En als je dan heel goed luistert, kun je het winterkoninkje horen zingen, schel en hard: "ik ben de koning, ik ben de koning, ik ben de koning!"."



Winterkoningen zijn een van de meest voorkomende broedvogels door de zachte winters. Tijdens strenge vorstperioden vallen velen ten slachtoffer door voedselgebrek. Ze eten kleine insecten die tijdens de vorst te diep verstopt zitten of ook bezwijken aan de kou. Veilig beschut voor vijanden leven ze in dicht laag struikgewas. Een mannetje maakt verschillende nestjes en het vrouwtje kiest de beste uit. Als dit vrouwtje broedt probeert hij een ander vrouwtje voor een ander nestje te strikken.

Uit het boek 'Natuurverhalen' van Els Baars, waarin te lezen is hoe dit kleine vogeltje aan zijn naam kwam.

donderdag 2 april 2026

Voorjaarszang van de Pimpelmees

De voorjaarszang van de pimpelmees is een kenmerkend, hoog en rinkelend geluid dat vaak wordt omschreven als een 'zilveren belletje' of een 'zilveren lachje'. Het is een van de eerste vogelgeluiden die de lente aankondigt.


Voorjaarszang van de PimpelmeesšŸŽ¤

Pimpelmezen beginnen al vroeg in het jaar te zingen, vaak al in februari of maart, wanneer ze territoria afbakenen voor het broedseizoen. Het geluid klinkt ijl, helder en feller dan de zang van de koolmees. Het liedje begint meestal met twee of drie iets hogere begintonen, gevolgd door een hele snelle, rinkelende serie van een iets lagere toon.

De zang wordt vooral door het mannetje gebruikt om een vrouwtje te lokken en concurrenten op afstand te houden. Waar de koolmees vaak een duidelijk twee- of drielettergrepig, ritmisch "fietspomp"-geluid maakt, is de pimpelmees sneller en rinkelender. In het vroege voorjaar is deze zang vaak te horen in tuinen, parken en bossen, vaak bungelend aan twijgjes terwijl ze op zoek zijn naar voedsel.

De pimpelmees heeft een kenmerkend blauw ‘petje’, gele borst, smalle zwarte oogstrepen, zwartblauwe kinvlek en blauwachtige vleugels. Mannetjes zijn helderder van kleur dan vrouwtjes. In de broedtijd eten ze vooral insecten en hun larven (rupsen), spinnen en andere geleedpotigen. In de winter eten ze ook veel zaden, van ondermeer de berk, lariks en haagbeuken. Maar ook pinda's, die ze dan veel op voedertafels vinden.