vrijdag 14 augustus 2026

Mijn visuele natuurverhalen

Mijn naam is Jozef van der Heijden. Ik woon in de Brabantse Hulsel. Ik fotografeer al sinds de 70er jaren. Ik begon met een kleinbeeld fotocamera en een Super 8 filmcamera met geluidsregistratie. Op de boerderij filmde ik Groenlingen en Kneuen die de jongen op hun nest verzorgde. Mijn interesse gaat naar de natuur in het algemeen. Van vogels tot paddenstoelen, mossen, korstmossen en  landschappen. Maar vogels fascineren mij wel het meest. Daarnaast ben lid van diverse natuurbescherming organisaties.
(zie de logo's hieronder)

Volg mij op: Facebook Twitter YouTube FacebookTwitterYouTube Facebook Twitter YouTube en met jozefvanderheijden-foto.nl. Onderwerpen: Alles wat de natuur gedurende de jaargetijden bieden.
Bezoek ook mijn YouTube kanaal; youtube.com/JozefvanderHeijden met 391 video's en 916 abonnees.

De Grasmus houdt van open heide

De grasmus is een kleine zangvogel die dol is op open heide, maar wel de combinatie zoekt met lage struwelen en veel open plekken in de vegetatie. Ze gebruiken de open stukken om te foerageren en de lage struiken als zangpost en broedplaats. Ze houden van een jong assortiment struiken gecombineerd met gras en heide.


De Grasmus houdt van open heidešŸŽ¤

Ze gebruiken hogere twijgjes of kleine struikjes om het territorium zingend af te bakenen. De grasmus profiteert enorm van natuurbeheer. Omdat heide van naturen snel dichtgroeit met bomen en grassen, moeten natuurorganisaties ingrijpen. Dit wordt gedaan met diverse maatregelen. Grasmussen nestelen graag in doornstruiken of ruigte. De kans dat je ze op de open heide samen ziet met de Grauwe klauwier is dan ook mogelijk. In bos- en natuurgebieden bewoont de Grasmus doorgaans randen en open plekken met opslag. Langs met struiken begroeide wegbermen en spoorwegtaluds komt de grasmus ook voor in verder ongeschikte biotopen, zoals open agrarisch gebied en steden.

De grasmus is geen opvallende vogel, maar de zang en de zangvlucht wel. Grasmussen zijn pioniersvogels van de allereerste bos stadia, met opslag van struweel, in allerlei landschappen. Soms ook in pure ruigte met alleen hoge kruiden te vinden. Ondanks zijn naam is de grasmus niet verwant aan de huismus. De 'familie' van de grasmussen is vooral een in het zuiden van Europa en in Afrika voorkomende groep vogels. Hiervan heeft de grasmus veruit het grootste verspreidingsgebied.

De mannetjes komen eerder terug van de overwinteringsgebieden dan de vrouwtjes. De man zingt volop van eind april tot in juni. Het mannetje bouwt enkele nesten, waaruit het vrouwtje haar keuze maakt. Bevalt geen van de nesten haar, dan bouwt ze alsnog haar eigen nest. Vaak wordt er twee keer gebroed, met legsels van 4 tot 5 eieren, waarop zowel man als vrouw broedt gedurende 9 tot 14 dagen. 10 tot 12 dagen later zijn de jongen klaar om het nest uit te vliegen, maar worden ze nog wel 15 tot 20 dagen gevoed door de ouders. Bij het tweede nest moet het vrouwtje alleen voor de jongen zorgen.

Ze overwinteren ten zuiden van de Sahara, veelal in de Sahel van Senegal tot Ethiopiƫ, maar ook vin Tanzania, Zambia, Zimbabwe en Botswana. 'Onze' grasmussen zitten voornamelijk in de westelijke Sahel. Ze trekken vaak 's nachts, en van een klein percentage dat 's ochtends nog doortrekt, zien we ze gericht van struik naar struik vliegen. Ze trekken in augustus en september naar het zuiden en keren van half april tot half mei terug.

vrijdag 7 augustus 2026

Meerkoet met kuikentjes op het Schotelven

De meerkoet is een fascinerende verschijning op de Nederlandse wateren, waaronder de waterberging aan het Schotelven in Netersel. Deze vogels zijn bekend om hun vermogen om zich aan te passen aan verschillende waterrijke omgevingen, van stedelijke parkvijvers tot de uitgestrekte natuurlijke waterbergingen. Met hun kenmerkende witte voorhoofdschild en zwarte verenkleed zijn meerkoeten niet alleen een genot om te zien, maar spelen ze ook een cruciale rol in het aquatische ecosysteem. Het witte voorhoofdschild is bij het mannetje groter dan bij het vrouwtje. In het voorjaar is de plaat groter dan in het najaar.


Meerkoet met kuikentjes op het SchotelvenšŸŽ¤

Het gedrag van de meerkoet is ook opmerkelijk; ze zijn territoriaal en kunnen agressief zijn in het verdedigen van hun broedgebied. Tijdens het broedseizoen, dat van maart tot juli met een piek in april en mei loopt, bouwen ze drijvende nesten van riet en ander plantaardig materiaal. Het vrouwtje broedt de eieren uit, terwijl het mannetje blijft doorgaan met het aanslepen van nestmateriaal. Zo nu en dan neemt het mannetje de broedtaak over van het vrouwtje. Zo kan zij zich ook wat voeden en het broeden even afwisselen met wat beweging.

Ze leggen meestal 5 tot 10 eieren, waaruit de kuikens na een broedduur van 21 tot 25 dagen tevoorschijn komen. De kuikens zijn direct na het uitkomen een opvallende verschijning met hun rode kopjes en hun oranje dons. De rest van het lichaam is bedekt met een zwart verenkleed. Ze verlaten het nest vrijwel meteen om de wereld te verkennen onder de waakzame ogen van hun ouders.

De felgekleurde, oranje rode kop van jonge meerkoetkuikens speelt een cruciale rol in hun overleving, maar de werkelijkheid is genuanceerder dan dat ze nooit verhongeren. Meerkoeten hebben veelal een zwart-wit verendek, maar veel van hun jongen zijn veel bonter gekleurd. Die kleuren hebben een doel, de meerkoet ouders geven er de voorkeur aan om hun felgekleurde kuikens meer voedsel te geven dan de minder gekleurde oudere kuikens uit het zelfde nest. Hierdoor hebben de gekleurde kuikens een aanzienlijk hogere overlevingskans dan hun minder gekleurde broertjes en zusjes.

Meerkoetkuikens zijn afhankelijk van zowel plantaardig als dierlijk voedsel, dat door de ouders wordt aangevoerd. Dit dieet bestaat uit waterplanten, algen, kleine visjes en waterinsecten, wat essentieel is voor hun groei en ontwikkeling. De jongen worden gedurende een periode van ongeveer 56 dagen door de ouders gevoerd, waarna ze zelfstandig leren duiken en foerageren. Het is fascinerend om te zien hoe de kuikens hun duikvaardigheden ontwikkelen, aangezien meerkoeten bekend staan om hun vermogen om voedsel te zoeken door onder water te duiken, waarbij ze vaak een sprongetje maken om onder te komen vanwege de grote hoeveelheid lucht in hun verenkleed.

Aan het Schotelven in Netersel biedt de waterberging een belangrijke habitat voor onder anderen de meerkoet. Het is nu het vijfde jaar dat watervogels gebruik kunnen maken van de waterberging. Deze waterbergingen zijn essentieel voor de biodiversiteit en helpen het grondwaterpeil te verhogen tijdens perioden van zware regenval. De aanwezigheid van meerkoeten kan een indicator zijn van de gezondheid van het waterlichaam, aangezien ze gevoelig zijn voor veranderingen in waterkwaliteit en beschikbaarheid van voedselbronnen. Ze voeden zich met waterplanten, algen en kleine waterdieren, wat bijdraagt aan de ecologische balans van hun habitat.

In de context van klimaatverandering en menselijke impact op natuurlijke habitats, is het observeren en beschermen van soorten zoals de meerkoet belangrijker dan ooit. Het biedt ons waardevolle inzichten in de staat van onze natuurlijke omgeving en de stappen die we moeten nemen om deze te behouden voor toekomstige generaties. De meerkoet op de waterberging Schotelven in Netersel is dus meer dan alleen een vogel; het is een symbool van de natuurlijke schoonheid en diversiteit die we moeten koesteren en beschermen.

vrijdag 31 juli 2026

Grauwe klauwier jaagt vanaf een uitkijkpost

Een Grauwe klauwier op een uitkijkpost op de open heide is een iconisch beeld van een actieve jager in een halfopen, structuurrijk natuurgebied. Deze zangvogel gedraagt zich als een miniatuurroofvogel en gebruikt verhoogde posten om zijn territorium te overzien en prooien te lokaliseren.


Grauwe klauwier jaagt vanaf op een uitkijkpostšŸŽ¤

De Grauwe klauwier gebruikt een hoge, strategische uitkijkpost om op zicht te jagen op insecten en kleine gewervelde dieren. Ze gebruiken een uitkijkpost, van waar de vogel vrij zicht heeft op de grond en de lucht. Vaak een dode boomtak, een paaltje, prikkeldraad of de top van een doornige struik. Deze kenmerkende jachttechniek stelt de vogel in staat om als een miniatuur roofvogel zijn leefgebied effectief af te speuren.

De vogel zit kaarsrecht op zijn post om de omgeving nauwkeurig te scannen. De vogel bespiet met zijn scherpe blik de vegetatie af op zoek naar beweging. Zodra hij een prooi opmerkt, duikt hij er in een snelle vlucht op af. Hij grijpt de prooi op de grond of onderschept deze behendig in de lucht. Uniek voor de Grauwe klauwier is dat hij grotere prooien aan doorns of prikkeldraad prikt om ze te bewaren of makkelijker te verscheuren.

Even was het vrouwtje te zien, maar was te snel weer weg om die in beeld te vangen. Niet verwonderlijk, daar het koppeltje dichtbij een nest heeft, zo leek het in ieder geval.

De Grauwe klauwier broedt van half mei tot in juli, in een grote struik of kleine boom. Het vrouwtje legt ƩƩn legsel met meestal 4 tot 6 eieren. De broedduur bedraagt 12 tot 16 dagen. Het vrouwtje broedt, soms assisteert het mannetje daarbij. Ze bouwen een slordig gebouwd nest, meestal relatief laag van de grond in dicht stekelig struikgewas. In de eerste week na het uitkomen blijft het vrouwtje bij de jongen, en verzamelt alleen het mannetje voedsel. De kuikentjes zijn vliegvlug na 14 tot16 dagen, soms later vanwege slecht weer. Twee weken na het verlaten kunnen de jongen zelf jagen.

De Grauwe klauwier is duidelijk aan een opmars bezig. Twintig jaar geleden stond de soort op het punt om in Nederland te verdwijnen. Dankzij intensief natuurbeheer en het herstel van structuurrijke landschappen is de populatie flink gegroeid. Tegenwoordig schommelt het aantal broedparen in Nederland weer tussen de 1.250 en 1.550. Ook in Vlaanderen breidt het areaal zich weer uit vanuit traditionele bolwerken.

Het zijn langeafstandstrekkers. Vanaf eind juli, begin september trekken ze via een oostelijke route om de Middellandse Zee heen, om te overwinteren in Kenia, Tanzania en ten zuiden van Congo. Ze trekken 's nachts in enkelingen of kleine groepen. Vaak zijn de Grauwe klauwieren een jaar later pas in mei weer terug in het Nederlands broedgebied.