vrijdag 18 juni 2021

Mijn visuele natuurverhalen

Mijn naam is Jozef van der Heijden. Ik woon in de Brabantse Hulsel.
Ik fotografeer al sinds de 70er jaren. Ik begon met een kleinbeeld fotocamera en een Super 8 filmcamera met geluidsregistratie. Op de boerderij filmde ik Groenlingen en Kneuen die de jongen op hun nest verzorgde. Mijn interesse gaat naar de natuur in het algemeen. Van vogels tot paddenstoelen, mossen, korstmossen en  landschappen. Maar vogels fascineren mij wel het meest. Daarnaast ben lid van diverse natuurbescherming organisaties (zie de logo's hieronder).

Hoewel vogels mijn voorkeur genieten, ontdekte ik op 4 januari 2019 de Opkrullende strookzwam in de bossen van Hapert, officieel de 19e geregistreerde vondst in Nederland sinds 1855 en de eerste sinds 1985. Daarna vond ik nog twee plaatsen waar deze zeer zwam voor kwam. Op 16 oktober 2019 vond ik op Landgoed Wellenseind de eveneens zeer-zeldzame Kroontjesknotszwam. Verspreidingsatlas.nl meldt sinds 1990 slechts 105 vindplaatsen in Nederland.

Volg mij op: Facebook Twitter YouTube en met www.jozefvanderheijden-foto.nl. Mijn onderwerpen: Alles wat de natuur gedurende de vier jaargetijden biedt.

Blauwe glazenmaker (Aeshna cyanea)

De Blauwe glazenmaker plant zich in allerlei stilstaande wateren voort. Onder meer bospoeltjes en tuinvijvers, soms bij beken. Vaak ver van water en ook in de stad te zien. Op de natte heide is deze glazenmaker te zien, vaak laag vliegend over het oppervlak.


De Blauwe glazenmaker man in de typische vertikale hanghouding

De Blauwe glazenmaker is een fors gebouwde glazenmaker, die veel minder blauw is dan de naam doet vermoeden. Het achterlijf is donker met een mozaïektekening van licht gekleurde vlekken. De zijkant van het borststuk is grasgroen met dikke zwarte naadstrepen. De schouderstrepen zijn verbreed tot brede groene vlakken. De lichte vlekken op de achterlijfssegmenten 8 – 10 zijn groot en 'samengevloeid', niet meer herkenbaar als gepaarde vlekken zoals bij segment 1 – 8. Deze contrasterende lichte punt van het achterlijf wordt wel 'lampionnetje' genoemd. Segment twee heeft een brede groene spijkervormige tekening. Bij het mannetje zijn de ogen aan de bovenkant blauw, evenals de vlekken aan de zijkant van het achterlijf en het gehele lampionnetje. In het veld is dit blauwe 'achterlicht' het duidelijkste kenmerk. De overige lichte vlekken op het achterlijf zijn meestal grasgroen, maar soms ook blauw. Bij het vrouwtje en bij jonge exemplaren zijn alle lichte delen aanvankelijk geel, later groen. De ogen van het vrouwtje zijn aan de bovenkant bruin. De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 67 en 76 mm.

Het hoogtepunt van het vliegseizoen is van eind juli tot half september. Voor juni en na oktober wordt de Blauwe glazenmaker zelden waargenomen. Gewoonlijk duurt de levenscyclus van de Blauwe glazenmaker twee jaar. De eerste winter brengt hij door als ei, de tweede winter als larve. De larve groeit op in modderige beschaduwde poelen of tuinvijvers met veel modder en bladafval. Daarom is hij ook vaak de enige libel die daar voorkomt doordat andere soorten wat kieskeuriger zijn. Het uitsluipen gebeurt meestal in de maanden juli en augustus. In ondiepe wateren en warme zomers kan een larve echter al voor de winter volgroeid zijn en nog diezelfde zomer uitsluipen. De rijpingsduur van de imago is drie tot zes weken, de levensduur van de imago is acht tot tien weken. Jagende en patrouillerende Blauwe glazenmakers vliegen in een kenmerkend rustig tempo laag over de grond, steeds langs dezelfde weg, op plaatsen met veel halfschaduw (bijvoorbeeld bospaden en tuinen). Ze zoeken hun omgeving minutieus af en komen daarbij vaak opvallend dicht in de buurt van mensen en bebouwing. Door dit gedrag komen Blauwe glazenmakers nogal eens binnenshuis achter het vensterglas terecht, of worden ze gevangen door huiskatten.


De Blauwe glazenmaker is weinig kieskeurig en plant zich voort in allerlei stilstaande en zwak stromende wateren, die vaak voedselrijk en sterk beschaduwd zijn. De voorkeur gaat uit naar kleine, stilstaande wateren in een beboste of parkachtige omgeving; vaak worden ze gevonden bij beschaduwde vijvers, plassen en poelen in de directe omgeving van houtopstanden, maar ook in de buurt van bebouwing en recreatiegebieden. Hij jaagt langs opgaande structuren als heggen, bosschages, lanen en parken, die soms ver van water af liggen.

donderdag 17 juni 2021

Het Lantaarntje (Ischnura elegans)

Het lantaarntje (Ischnura elegans) is een 30 à 34 mm grote juffer die in vrijwel heel Europa algemeen voorkomt. Het lantaarntje voelt zich in alle zoetwater thuis en komt vaak bij vijvers, maar ook in brakwater wordt hij soms waargenomen. De larve kan vrij goed tegen watervervuiling wat hem minder kieskeurig maakt dan die van andere soorten. Het vliegseizoen loopt van mei tot september met toppen eind mei en begin augustus.


Het Lantaarntje (Ischnura elegans)

Uiterlijk van de mannetje: lichte delen op borststuk eerst groen, daarna blauw. Kleur van het lantaarntje altijd hemelsblauw (bij uitgekleurde dieren). Vrouwtje: ingewikkelde variatie in de lichtgekleurde delen. De kleur van het borststuk kan groen, blauw, paars (jeugdvorm), oranje of bruin zijn. Sommige kleurtypen lopen in elkaar over naar gelang het dier ouder wordt. Het ‘lantaarntje’ is bij sommige typen bruin in plaats van blauw en daardoor minder opvallend.

De paring kan uren duren. De mannetjes zijn, zoals bij alle libellen het geval is, in staat het sperma van eventuele voorgaande concurrenten te verwijderen. Het vrouwtje zet de eitjes na de paring af in waterplanten en begeeft zich daarbij soms helemaal onder water. Ze wordt bij deze activiteit niet door het mannetje begeleid, zoals wel gebeurt bij de azuurwaterjuffer (Coenagrion puella).

De larven komen snel na het afzetten uit. Ze voeden zich met andere larven, onder andere van juffers en vliegen. De ontwikkeling tot imago duurt meestal één jaar, maar onder gunstige weersomstandigheden kan dit ook in drie maanden gebeuren. In dat laatste geval is er een tweede vliegpiek. De imago heeft maar kort de tijd om een volgende generatie te produceren: de mannetjes leven maximaal 42 dagen en de vrouwtjes 50. Echter veel juffers sterven al na enkele weken. Dat verklaart meteen waarom mannetjes over het algemeen minder lang leven dan wijfjes. Een tweede doodsoorzaak is vanzelfsprekend predatie. Libellen eten niet alleen, ze worden ook gegeten. Daarbij zijn er drie grote groepen predatoren te melden. Dat zijn vooral spinnen, waarbij zowel Echte libellen als Waterjuffers regelmatig verdwijnen in de webben.

Bezoek ook mijn Youtube kanaal: https://www.youtube.com/JozefvanderHeijden