zondag 19 januari 2020

Mijn visuele natuurverhalen

Mijn naam is Jozef van der Heijden. Ik woon in de Brabantse Hulsel en fotografeer met de professionele Nikon D500 spiegelreflex foto camera. Ik gebruik daarbij een standaard 18-300 mm - f 3.5-5.6, en een 200-500 mm - f 5.6 supertelezoom gecombineerd met een 1.4 teleconverter, of met een 2.0 teleconverter voor maanfotografie.

Op 4 januari 2019 ontdekte ik de Opkrullende strookzwam in de bossen van Hapert, officieel de 19e geregistreerde vondst in Nederland tussen 1855 en 2019 en de eerste sinds 1985. Het is bovendien de tweede vondst ooit in Noord Brabant. De Opkrullende strookzwam is zeer zeldzaam en staat als 'Ernstig bedreigd' op de Rode Lijst van bedreigde paddenstoelen. Op 16 oktober 2019 vond ik op Landgoed Wellenseind de eveneens zeer-zeldzame Kroontjesknotszwam. Verspreidingsatlas.nl meldt tussen 1990 en 2019 slechts 105 vindplaatsen in Nederland. Daar is er nu weer 1 bijgekomen.

Volg mij op: Facebook Twitter YouTube en met www.jozefvanderheijden-foto.nl. Mijn onderwerpen: Alles wat de natuur gedurende de vier jaargetijden biedt.

Hoe Vlaams is de Vlaamse Gaai eigenlijk

De Vlaamse gaai blijft intrigerend. Terwijl de soort in bijna heel Europa en een deel van Noord-Afrika, en zelfs tot ver in Azië voorkomt, is deze vogel tot enkele jaren geleden qua naamgeving als Vlaams bestempeld. Wat er dan zo Vlaams is aan een Vlaamse gaai, is zelfs voor menig doorwinterd vogelaar niet meteen duidelijk.

De Vlaamse Gaai in de houtwal maakt zich niet druk om zijn naam.

De naam Vlaamse gaai bestaat al lang. In een werk van Houttuyn uit 1762 lezen we dat 'De Staaten van Zeeland, in hun Plakkaat van den jaare 1712, de Kraaijen, Aaksters en Vlaamsche Gaaijen alle te samen behandelen, op dergelyken voet, gebiedende het verstooren van derzelver nesten ...'. Ook Maitland had het in zijn 'Prodrome de la Faune des Pays-Bas et de la Belgique flamande', een werk uit 1897 al over de Vlaamse gaai. Maar waar slaat dat Vlaams juist op? Klaas J. Eigenhuis (29 maart 1948 - 20 augustus 2018), een eminent Nederlands ornitholoog en auteur van het onvolprezen 'Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen', reikt vier verklaringen aan. De twee verklaringen die zijn voorkeur wegdragen, vind je hieronder.

In een eerste verklaring verwijst Eigenhuis naar het invasieve karakter van de soort. Vlaamse gaaien kunnen in sommige jaren de Lage Landen met tienduizenden overspoelen. Vooral in het najaar voltrekken zich soms ware invasies. Van waar al die vogels plots kwamen, was vroeger (en in minder mate ook nu nog) voer voor speculanten. Deze verklaring stelt dat het 'Vlaamse' bij de Gaai zijn oorsprong zou hebben gevonden in Nederland (meer bepaald in Zeeland), omdat de Zeeuwen gedacht zouden hebben dat al die invasiegaaien uit Vlaanderen afkomstig waren. Ook de, in sommige delen van Nederland gebruikte volksnaam, 'Spaanse ekster' kan hierdoor misschien worden verklaard.


Invasievogels worden wel vaker gelinkt naar het vermeende land van herkomst. Het meest bekende voorbeeld is zonder twijfel de Pestvogel die in het Engelse taalgebied luistert naar de naam Bohemian Waxwing, een vogel die dus uit de Bohemen (een historische regio uit  Tsjechië) afkomstig zou zijn. Eigenhuis vergelijkt het een beetje met de Franse leeuwerik, een volksnaam die in Zuid-Holland werd gebruikt voor de Strandleeuwerik. Of de Dutch Crow, waarmee men in Yorkshire vroeger verwees naar de Bonte kraai, ook al waren en zijn Bonte kraaien eigenlijk geen typische Nederlandse vogels.

Een tweede verklaring voor de naam is dat de soort wordt gekenmerkt door een fraai verenkleed dat deed denken aan de kledij van de gegoede burgerij uit het rijke Vlaanderen. Een beetje zoals bij de Vlaamse viesel, een zeldzame historische naam voor de Pestvogel, waarbij 'Vlaams' vermoedelijk ook een associatie inhoudt naar het 'deftige' verenkleed van de soort. Eén ding is duidelijk: ornithologie en etymologie zijn bijzonder moeilijke, complexe maar uitdagende wetenschappen en de combinatie van beide leidt soms tot vernieuwende en verrassende inzichten.

Het maakt natuurlijk niet uit of je Vlaamse Gaai of gewoon Gaai zegt. Maar in de namenregisters wordt al jaren 'Vlaamse' weggelaten en gewoon als 'Gaai' door het leven gaat.

Tekst: Dominique Verbelen, Natuurpunt Studie (naar: Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen' van K.J. Eigenhuis, 2004.)

donderdag 16 januari 2020

Waterhoen weerspiegeld in het water

Na een lange periode met grijs weer verdween de nevel naarmate de zon verder op kwam. Dat geeft weer kleur aan plant en dier. Zo kleurde het Waterhoen mooi op. Deze "waterkip" blijft in Nederland. Midden in de winter zijn Waterhoentjes het talrijkst in het westen en zuidwesten van het land.

 Eindelijk weer zon. Het Waterhoen wordt weerspiegeld in het water.

Het Waterhoen is een algemene vogel in Nederland. Opvallend is zijn rode snavel met gele punt. Tijdens het zwemmen of lopen is zijn staart omhoog gericht. De witte onderstaartdekveren zijn dan goed zichtbaar. Jonge waterhoentjes volgen deze witte signaalveren. Het waterhoen broedt langs allerlei zoet water, als kleine sloten en vijvers, ook in dorpen en steden.

Het zwarte verenkleed, met witte vlekken langs de flanken. Opvallende witte onderstaartdekveren met zwarte middenstreep. Rode snavel met gele punt. Heeft een rode bles. Met hun typische (groengele) moerasvogelpoten kunnen ze over drijvende watervegetatie lopen zonder al te diep weg te zakken. Tijdens het zwemmen of lopen is zijn staart omhoog gericht. Juveniel is donkerbruin zonder de opvallende vooral rode snavel.


Het waterhoen is een algemene broedvogel van meren, plassen, rivieren, vijvers en sloten met een dichte oevervegetatie, hierbij hebben ze een lichte voorkeur voor voedselrijke wateren. Het waterhoen is een vaak verborgen levende vogel die zich vooral ophoudt in dichte oevervegetaties. Hierin maken ze ook hun komvormig nest van waterplanten. De lange tenen zorgen er voor dat ze niet wegzakken in de modderige oevers. Waterhoentjes zoeken elkaar in de wintermaanden op in de buurt van grote vijvers en sloten. Hier moeten ze wel voldoende voedsel en dekking kunnen vinden.