vrijdag 29 juli 2016

Vergrassing Neterselse Heide

De Neterselse Heide is een van de natuurgebieden waar de vergrassing aangepakt moet worden om de heide weer de kans te geven. Vergrassing is een wijd verbreidt probleem in veel Brabantse natuurgebieden. De Neterselse Heide is sinds 2004, toen gemeente Bladel het voor € 1 verkocht, eigendom is van het Brabants Landschap en is gelegen ten noorden van Netersel. Het gebied is 229 ha groot.


Op de Neterselse Heide vindt men droge, maar vooral ook natte heide. Moeraswolfsklauw, beenbreek en klokjesgentiaan komen er voor, evenals witte snavelbies en zonnedauw. Van de vogels kunnen blauwe kiekendief, boomleeuwerik en roodborsttapuit worden genoemd. Een zeldzaam bostype is het dophei-berkenbroek. Dit bestaat uit open begroeiing van zachte berk op zure, voedselarme natte bodem. Het bos groeit traag en de bomen worden niet hoger dan 5 à 10 meter. De begroeiing bestaat uit dopheide, gagel, veenmossen en bulthaarmos. Op de natte zure en voedselarme bodems komt vegetatie van het Dopheideverbond voor. Karakteristieke soorten zijn hier Dopheide, Pijpestrootje, Trekrus, Veenbies en Veenpluis. Dit vegetatietype is vaak vergrast met Pijpestrootje.

Als gevolg van een verminderde toestroming van grondwater in Neterselse heide ontstaat verzuring. Deze ligt diep en heeft daardoor een ontwaterende werking. Zowel Mispeleindse en Neterselse Heide en Landschotse Heide grenzen aan landbouwgebied. Vooral de zuidelijke gelegen landbouwgebieden zijn van nature de wat hoger gelegen water voedingsgebieden. Door een combinatie van factoren (grondwaterstandsdaling, eutrofiëring, successie) zal heide vergrassen. Vooral lagere, natte terreindelen zijn vergrast met Pijpestrootje (Landschotse Heide, Mispeleindse en Neterselse Heide).

De schapen zijn weer op de heiden. Vorig jaar werd de heide nog begraast door koeien, maar schapen zijn effectiever.

Maatregelen
Voor het herstel van het natte karakter van Rovertsche Heide, Mispeleindse en Neterselse Heide en Landschotse Heide is het wenselijk de ontwatering in de omgeving te verondiepen of te dempen. Periodiek opschonen van vennen en ven-oevers (of delen daarvan). Dit is gericht op het creëren van voldoende kale zandbodem door het verwijderen van de modderlaag op de ven bodem, de organische toplaag en de eutrofe vegetatie (Riet, Lisdodde, Pitrus). Eventueel kan een cyclische beheersvorm worden toegepast. Periodiek plaggen moet er voor zorgen om de vochtige heiden en pioniervegetaties met snavelbiezen te herstellen. Verder zal begrazing en maaien het oprukkende gras moeten afremmen. Zo zijn dit jaar de grazende koeien vervangen door schapen.

Natte gebieden bieden een habitat voor amfibieën.

De heide wordt afgewisseld door dennen.

De waterlopen worden ook onderhanden genomen.

donderdag 28 juli 2016

Waterhoogte regulering Beleven

Ver weg van waar de meeste bezoekers aan het Beleven over het water naar vogels kijken zit een sluis om de waterhoogte te regelen. Het Beleven wordt gevoed door regenwater. Het natuurgebied bestaat pas sinds 2008. Over een oppervlakte van 85 hectare (dat is bijna 1 km²) werd de met mest verzadigde bodemlaag verwijderd: 120.000 m³. Het gebied, dat vroeger voor een groot deel bestond uit heide met vennen en moerassen, is in de loop van de vorige eeuw ontgonnen. Daardoor raakte het natuurlijk systeem verstoord. Het gebied is het gebied in handen gekomen van het Brabants Landschap, die het voor een groot deel terugbracht in de 'oude staat'.

Met de sluis, achter op het Beleven, wordt de gewenste waterhoogte bereikt.

Door de herinrichting kwamen 2 vennen tevoorschijn die 100 jaar geleden waren dichtgegooid. Het werd geen kopie van het vroegere gebied. De nadruk komt te liggen op het herstel van een zo natuurlijk mogelijk duurzaam watersysteem. Blikvanger werd daarbij het weer in ere herstelde grote ven (het Beleven) waar het gehele gebied naar genoemd is. Daarvoor werd in het centrale gedeelte van het natuurgebied tachtig centimeter grond afgegraven zodat er ruimte ontstond voor een ven van acht hectaren.


In de randen naar het ven toe is veertig centimeter afgegraven zodat het geheel een buffer vormt voor de opvang van regenwater. Het ven is omringd door bloemrijk grasland en bosschages. Bij overvloedige regenval ontstaat er in het binnengebied een ven van twintig hectaren. Omdat het zo ondiep is, wordt het ven niet gevoed met grondwater maar enkel door regenwater en krijgen waterminnende planten volop de ruimte om het geheel 'aan te kleden'. Bij langdurig regenval wordt het, te veel aan regenwater afgevoerd door een regelbare stuw, waarbij het water via een ondergronds buizenstelsel in de Belevenscheloop uit mondt. Stuwen in de waterlopen zorgen voor een gecontroleerde afvoer.

Links; Het beleven vanaf de verharde weg - links; de kijkwand vanaf de noordelijke zijkant.

Vogels ontdekten al snel het nieuwe leefgebied. Zowel watervogels (geoorde fuut, slobeend) als weidevogels (kievit, wulp). Om in alle rust te kunnen genieten van deze vogels is er een kijkhut gebouwd. Rond de vennen liggen nog ouderwets veel zandpaden. Ze worden omringd door breed uitgegroeide bremstuiken, waaruit de geelgors zijn weemoedige lied zingt. Een wandeling rond het ven gaat over 2,30 kilometer.

Het water uit het Beleven stroomt via een ondergronds buizenstelsel in de Belevenscheloop

De Belevenscheloop is een van de bron-beken van het beekje de Reusel. Het Hoevensche loopje mondt weer uit in de Belevenvenscheloop, waarna het beekje de 'Reusel' heet. Het landschap rondom de beek is afwisselend met bos en akkers net zoals de rest van de streek waarin de beek is gelegen, de Kempen. In de bovenloop van het beekje vindt men het natuurgebied Beleven. Verderop is het dorp Reusel gelegen. De beek stroomt in z'n geheel door de zandgronden van de Kempen. Omdat de Kempen op een horst gelegen zijn, ligt de bron op de voor Noord-Brabant aanzienlijke hoogte van 30-31 meter boven NAP. De lengte van de beek is ongeveer 3 kilometer.

dinsdag 26 juli 2016

Natuurwandeling over Kampina (1)

Vanmorgen zijn wij met z'n drieën, Wout (uit Reusel), Louis (uit Retie) en ik een wandeling gaan maken over een deel van Kampina, aan de westkant van Lennisheuvel-Boxtel. Eigenlijk hadden we de verkeerde parkeerplaats (te vroeg) gekozen, maar dat leverde ook een leuke wandeling op. Aan het einde van de voormiddag zijn we nog even doorgereden naar de parkeerplaats waar we de volgende vervolgwandeling gaan beginnen.

De Kampina is een natuurgebied met bos, heide en beekdalen in de provincie Noord-Brabant, gelegen tussen Boxtel en Oisterwijk. Het gebied is sinds 1929 grotendeels eigendom van de Vereniging Natuurmonumenten en is ruim 1200 hectare groot.

Een grasveld vol spinnenwebben.

Naar het westen toe sluit de Kampina aan bij de Oisterwijkse Bossen en Vennen. Naar het oosten toe sluit het gebied bijna aan bij de Mortelen; het Banisveld is een natuurontwikkelingsgebied waar een gat tussen deze beide grote natuurgebieden wordt opgevuld. Daarmee vormt de Kampina een belangrijke schakel van 'het Groene Woud', een samenhangende cluster van grote natuurgebieden in het midden van Brabant tussen Tilburg, 's Hertogenbosch en Eindhoven.

De Kampina is een gevarieerd natuurgebied met een uitgestrekt heide, dennenbossen en vele vennen. Centraal ligt de grote Kampinase Heide die gesierd wordt door talrijke vennen zoals als het Belversven, meer beschut liggen de Huisvennen en de Zandbergsvennen, die bijzonder rijk zijn aan libellensoorten. Over de heide klinkt de zang van de wulp. De heide is hier en daar venig en kent bijzondere soorten als lavendelheide. Vooral aan de noordzijde en de oostzijde liggen uitgestrekte (aangeplante) dennenbossen.

De Beerze meandert door het zuidoostelijke gebied van Kampina.

Er lopen ook twee beken door de Kampina, de Beerze en de Rosep, meanderend door het gebied. Dankzij de inspanningen van Pieter van Tienhoven (van 1907 tot 1953 penningmeester van de Vereniging Natuurmonumenten) zijn zij voor de golf van ruilverkaveling en kanalisaties gespaard gebleven, waar het natuurschoon langs zoveel andere beken ten onder aan is gegaan. De Beerze is een middelgrote beek met een omvangrijk moerassig beekdal. In de Smalbroeken, een vaak inunderend deel van dat dal, groeien zware moerasbossen van onder andere zwarte els met lianen als hop en kamperfoelie, waarin zich de blauwborst en de sprinkhaanrietzanger verschuilen. In de moerassen en graslandjes komen gagelstruwelen, beenbreek en zeggesoorten voor. De Rosep is binnen de Kampina maar een bescheiden stroompje zonder veel dalvorming. In de Kampina leven verschillende amfibieën waaronder sinds mei 2016 ook de boomkikker.

De Beerze van Aa tot Dommel
De (Grote) Beerze is ruim opgevat een beek die als 'Aa of Goorloop' in Bladel / Hapert nabij de Belgische grens ontspringt, meerdere zijbeken in zich opneemt (waaronder het 'Wagenbroeks loopje', 'Heiloop' en 'Koevoortse loop') en zich uiteindelijk nabij Boxtel splitst in een oostelijke tak die uitmondt in de Dommel en een westelijke tak die uitmondt in de Esschestroom, die bij Halder ook in de Dommel uitkomt. Strikt genomen begint de Beerze bij het landgoed Baest, waar de Grote Beerze en de Kleine Beerze samenstromen. Vervolgens stroomt de beek langs Spoordonk en de Kampina naar Lennisheuvel, waar de Beerze ook als Smalwater te boek staat.
(Om een watermolen bij Boxtel aan te drijven is daar rond 1200 een aftakking gegraven die in de Dommel uitkomt. Deze aftakking heette oorspronkelijk Molengrave of Molengraaf, staat op latere kaarten ook als Stroom genoemd, maar draagt officieel de naam Smalwater).

De oorspronkelijke beek heeft nu meer van een zijtak die bij Esch in de Esschestroom uitmondt. Deze tak heet Kleine Aa, Kleine Dommel, of Dommeltje, maar is per abuis ook wel eens als Smalwater aangeduid. De Beerze loopt voor een groot deel door natuurgebieden en heeft dan ook op veel plaatsen haar oude meanderende loop behouden. Wel zijn op een aantal plaatsen omleidingen aangelegd. In de periode 1990-1999 is bij Viermannekesbrug een overstromingsgebied voor de Beerze gerealiseerd van zo'n 50 hectare. Het gebied staat ongeveer drie maanden per jaar onder water.

Kampina: links het informatiebord aan de karkeerplaats, rechts Huize Kampina.

Een mooie witte woning doemt op in het bos. We zijn bij Huize Kampina! Het huidige huis ziet er bijna net zo uit als het eerste huis, dat in 1944 door de Duitsers is vernietigd. Na de Tweede Wereldoorlog is dit huis in 1947 herbouwd voor de toenmalige boswachter Van Ham. Daarna heeft het huis altijd dienst gedaan als boswachterswoning tot 1996. Vanaf toen, tot 2008 werd het verhuurd, waarna het in erfpacht verkocht is. Dit houdt in dat de grond nog steeds in eigendom is van Natuurmonumenten.

Links: Een web met de Kruisspin (onderkant) - Rechts: een jonge Lijster

Weidebeekjuffer: links het vrouwtje - rechts het mannetje


Volgende wandeling over Kampina
Wij gaan onze vervolgwandeling op Kampina beginnend bij het Kogelvangersven. In de 18de eeuw oefende de gendarmerie hier haar schietkunsten, door over het ven in de zandwallen te schieten. Net als de andere nabijgelegen vennen wordt het Kogelvangersven door regenwater gevoed. Hierdoor zijn de vennen voedselarm en groeien er kenmerkende planten zoals zonnedauw, lavendelheide en veenbes. Natuurmonumenten wil in dit door naaldbomen dichtgroeiende gebied stuifzand en heide weer een kans geven. Daarom zie je dat wij aan de andere kant van het Kogelvangersven een aantal bomen gekapt hebben. De wind krijgt hier weer vrij spel, dit kun je zelf ervaren. Hierdoor groeit het gebied niet meer dicht en wordt de natuur hier aantrekkelijker voor de heide en bijvoorbeeld de nachtzwaluw en zandbij.

Boven: een deel van het informatiebord en de kaart met de rode pijl waar de volgende wandeling start.
Onder: het kogelvangersven, waar wij de volgende wandeling willen starten.

Mijn beoordeling over dit gebied:

donderdag 21 juli 2016

Belevenscheloop tot in de Reusel

De Belevenscheloop (of: Belevense Loop) is een klein beekje dat ontspringt in de omgeving van het natuurgebied 'Beleven', ten westen van het Noord-Brabantse Reusel, een grensdorp met het Belgische Arendonk.

Belevenscheloop, aan de oostkant van natuurgebied Beleven

De beek is een van de bron-beken van het beekje de Reusel. Het Hoevensche loopje mondt weer uit in de Belevenvenscheloop, waarna het beekje de 'Reusel' heet. Het landschap rondom de beek is afwisselend met bos en akkers net zoals de rest van de streek waarin de beek is gelegen, de Kempen. In de bovenloop van het beekje vindt men het natuurgebied Beleven. Verderop is het dorp Reusel gelegen. De beek stroomt in z'n geheel door de zandgronden van de Kempen. Omdat de Kempen op een horst gelegen zijn, ligt de bron op de voor Noord-Brabant aanzienlijke hoogte van 30-31 meter boven NAP. De lengte van de beek is ongeveer 3 kilometer.

Links; Gewone grasmot (Chrysoteuchia culmella) - Rechts; Waterlelievlinder (Elophila nymphaeata)

De gewone grasmot (Chrysoteuchia culmella) is een vlinder uit de familie grasmotten (Crambidae). De spanwijdte bedraagt tussen de 18 en 24 millimeter. Verschillende grassoorten worden als waardplant gebruikt door de rups. De vliegtijd voor deze in Nederland en België algemeen voorkomende vlinder is juni en juli.

De waterlelievlinder of het waterleliemotje (Elophila nymphaeata) is een vlinder uit de familie grasmotten (Crambidae). Met een spanwijdte van 22 tot 30 millimeter is het een vrij kleine vlinder. De vleugels zijn wit met bruine cirkels. De vlinder is voornamelijk te vinden in vijvers en poelen met drijvend fonteinkruid, waterlelie en gele plomp. De eitjes worden onder water afgezet op bladranden. De rupsen maken kokertjes van stukjes blad, die aanvankelijk met water gevuld zijn en later lucht bevatten, als de rupsen overgaan op luchtademhaling. De verpopping vindt onder water plaats. De vliegperiode van de waterlelievlinder is van mei tot en met september met een vliegpauze in juli. De soort is in Nederland en België een gewone soort. De vlinder is vooral 's nachts actief. Overdag zit hij meestal aan de onderzijde van bladeren.

Links; Houtpantserjuffer (Chalcolestes viridis) ♂ - Rechs; Azuurwaterjuffer (Coenagrion puella) ♂

De houtpantserjuffer is een Juffer libellensoort: een grote Europese pantserjuffer, die algemeen in België en Nederland voorkomt. De soort komt voor aan stilstaand en langzaam stromend water. De naam slaat op de eiafzet in de bast van overhangende bomen. Andere pantserjuffers leggen de eieren meestal in biezen of zegges. De houtpantserjuffer is een in verhouding grote pantserjuffer. De imago, de volwassen insect, is tot 4,7 cm. Het achterlijf is langer en breder dan bij de andere pantserjuffers. Het lichaam is metaalgroen. Het pterostigma is zo lang als twee onderliggende cellen en wit tot lichtbruin. De mannetjes hebben in tegenstelling tot andere pantserjuffers nooit een blauwe verkleuring, of berijping, op de achterlijfsegmenten. De bovenste achterlijfaanhangsels van de mannetjes zijn lang en tangvormig, de onderste kort. De aanhangsels zijn bleek van kleur. De vrouwtjes hebben een relatief kleine legboor, die niet voorbij het laatste achterlijfsegment uitsteekt en die een duidelijk gezaagde onderzijde heeft. In zithouding houden pantserjuffers hun vleugels half gespreid, in tegenstelling tot andere juffers.

De azuurwaterjuffer is een 33 tot 35 mm grote juffer. In Nederland en België is het een algemeen voorkomende soort. De habitat is bij voorkeur stilstaand water, maar ook beken worden regelmatig bezocht. De azuurwaterjuffer is een kleine, zeer slanke libellen juffer met een maximale spanwijdte van 5 cm. Zoals de meeste soorten van het geslacht Coenagrion is ook de azuurwaterjuffer moeilijk op naam te brengen. Kenmerkend is de hoefijzervormige zwarte vlek op het tweede achterlijfsegment. De vrouwtjes komen in een donkere en een lichte variant voor.

Links; Azuurwaterjuffer (Coenagrion puella) ♂ - Rechts; Schorpioenvlieg ♀ (Panorpidae)

Links; Belevenvenscheloop, vanaf de Ziekbleek - Rechts; Koeien grazen tussen de koolplanten

Links; een Citroenvlieg op de stamper van een Haagwinde (Pispotje) - Rechts; Gewone barnsteenslak (Succinea putris)

De barnsteenslak (Succinea putris) is een op het land levende longslak uit de familie Succineidae. De wetenschappelijke soortnaam werd in 1758 ingevoerd door Carolus Linnaeus (1786-1836) als Helix putris. Door andere inzichten in de taxonomie is de soort later in het geslacht Succinea geplaatst. Als gevolg van deze naamswijziging worden auteursnaam en datum nu tussen haakjes gezet. De naam putris is mogelijk afgeleid van de omgeving waarin het dier vaak wordt aangetroffen. Putris (latijn) = vermolmd, verweerd, verrot (mogelijk slaand op een vochtige omgeving).

De Belevenscheloop mondt, vanaf de Gagel in Hooge Mierde, in Lage Mierde uit in de Reusel.