dinsdag 15 december 2020

De Kolganzen arriveren bij dageraad

De Natuur ontwaakt altijd vroeg in de ochtend. De ganzen trekken er al vroeg op uit om te foerageren. Een aantal doet dat op het water, andere op akkers en grasland. De overvliegende Kolganzen sluiten zich aan bij de Grauwe ganzen en de Grote Canadese ganzen in het water van het Beleven.

De Kolganzen arriveren bij dageraad

Er is al een paar jaar een lichte daling in het aantal overwinterende ganzen gaande. De winterpopulaties groeiden in een halve eeuw tijd naar een piek van 2,3 miljoen ganzen. Maar in de afgelopen drie winters is een duidelijke kentering zichtbaar. Nederland is het belangrijkste ganzenland in Europa. Hun aantallen worden in het winterhalfjaar systematisch geteld door een landelijk netwerk met inzet van honderden vrijwilligers. De opvallendste ontwikkeling is de omslag bij arctische ganzensoorten. In de laatste drie winters arriveren kolganzen en toendrarietganzen beduidend later in het najaar en blijven de piekaantallen ook bij veel andere ganzensoorten lager dan voorheen. Daardoor valt de optelsom van het aantal verblijvende ganzen per maand in de recente winters lager uit.

De kolgans zoals wij die kennen is het duidelijkste voorbeeld van de verandering. Sinds 2017 arriveren de meeste kolganzen pas ver na oktober in Nederland. De meest aannemelijke verklaring voor deze verlate aankomst is dat ze tegenwoordig een langere tussenstop maken in het Oostzeegebied. Landen als Zweden en Denemarken melden bovendien steeds grotere aantallen ganzen in de wintermaanden. Zachtere winters zorgen bij een aantal soorten voor een duidelijke noordoostwaartse verschuiving in het winterareaal.

Daarnaast spelen veranderingen in de landbouw de ganzen in de kaart. Zo blijven kleine rietganzen tegenwoordig grotendeels in Denemarken en profiteren daar van een uitgebreid aanbod van oogstresten van maïs. De combinatie van een late aankomst en lagere aantallen zorgt er bij ons voor dat totale bezoek afneemt. Dat zien we niet alleen bij de ganzen, maar ook bij een soort als de kleine zwaan, die ook steeds vaker ten oosten van ons de winter over blijft.

vrijdag 11 december 2020

Kraamkamers in het Vogelparadijs

Vogels zijn het meest geliefd van alle dieren in het wild. Er hangt ook iets mysterieus en romantiek rond het leven van een vogel. Mysterieus omdat het leven van een vogel veelal buiten ons zicht afspeelt. De geboorte van een vogel al helemaal. Hun nesten zijn goed verborgen, soms zelfs onbereikbaar. Nestholtes in bomen en lange gangen in zandwallen of oevers. De IJsvogel maakt een gang van 1 meter diep in een oeverwal. De Oeverzwaluw doet dat in een steile zandwal. Andere vogels doen dat in heggen, bomen of in het struikgewas, of verscholen op de grond tussen het gras of gewoon een kuiltje op de grond.

Kraamkamers in het Vogelparadijs

Niet alles is verborgen in de vrije natuur. Ook tuinen en gebouwen in dorpen en steden worden door vogels gebruikt als leefgebied. Sommige Uilen wonen in gebouwen, andere maken hun nest bij de boer in een van hun schuren of stallen. Ook het schuurtje achter in uw tuin of een flinke stapel gedumpt sloophout kan al dienen als nestplaats. Maar dichte heggen of wallen opgericht met snoeihout zijn goede nestplaatsen. Wat een vogel wil is veiligheid, rust en voedsel in de buurt. Vooral rupsen. Rupsen en insecten dienen bij meer dan 80% van de broedvogels als voedsel voor hun jongen.

Nestkasten ophangen geeft de vogels de gelegenheid om te nestelen, en de tuinbezitter de vreugde van de vogels die tijdens de broedperiode met voedsel heen en weer vliegen. Als u de vogels de rust geeft zult u verbaast staan hoe dicht de vogels bij u komen. Als u in de tuin aan het werken bent komt de Roodborst soms tot 1 meter bij u.

Achtereenvolgens ziet u de; een Rietgors zingend in de regen, de Boomklever in een boomholte net op de plaats waar 2 omgewaaide bomen op elkaar rusten, de Merel die een nest groot brengt, de Kleine bonte specht die een nestholte aan het uithakken is, de Middelste bonte specht van nestbouw tot het uitvliegen van de jonge, de Grote bonte specht die hun jongen voedt die op het punt staan om uit te vliegen, een koppel Grote bonte spechten die de hele dag in de weer zijn om de honger van hun jongen te stillen, Zwarte spechten die elkaar afwisselen bij het broeden, de Roodborst die in een schuurtje een nest groot brengt, een Koolmees die bij een vestiging van WVK-Groep in Bladel een nest bouwde in een sigarettenpeuk kast bij de ingang van de receptie, de Koolmees met een kijkje binnen in een nestkast met jonge meesjes, de IJsvogel nabij hun nest die telkens na het nestbezoek een duik in het water nemen om de ammoniak stank van zich af te spoelen, een Steenuil voor een uitgeholde boomstam en een Pimpelmees koppel die een holte in een dode wilg in een uit vliegen om de jonge te voeden.

dinsdag 8 december 2020

Het Vogeljaar 2020 (Video)

Het jaar loopt weer ten einde, tijd voor 'Het Vogeljaar 2020', een foto compilatie van Natuurfotograaf, Jozef van der Heijden. De foto compilatie omvat een deel uit de serie natuurfoto's, die gemaakt zijn van januari 2020 tot en met december 2020.

Het Vogeljaar 2020

Ook dit jaar weer mooie vogels op alfabetische volgorde, zoals de; Aalscholver 0:15 Bonte vliegenvanger 0:29 Boomkruiper 1:07 Fitis 1:14 Fuut 1:32 Gaai 1:49 Gekraagde roodstaart 2:07 Grauwe gans 2:14 Groenling 2:17 Grote bonte specht 2:38 Grote Canadese gans 2:56 Grutto 3:13 Heggenmus 3:27 Houtduif 3:38 Indische Gans 3:45 Keep 4:13 Kleine bonte specht 4:20 Kleine karekiet 4:51 Knobbelzwaan 4:55 Koolmees 5:19 Merel 5:47 Middelste bonte specht 5:57 Nijlgans 6:18 Ooievaar 6:26 Pimpelmees 6:39 Putter 6:46 Roodborst 6:54 Roodborsttapuit 7:21 Scholekster 7:28 Slobeend 7:53 Spreeuw 8:00 Steenuil 8:10 Tjiftjaf 8:21 Torenvalk 8:38 Vink 8:42 Waterhoen (achtervolgt door een Meerkoet) 9:06 Wilde eend 9:48 Winterkoning 9:59 Witte kwikstaart 10:09 Zomertaling 10:13 Zwarte ooievaar 10:23 Zwarte specht 10:55 Zwartkop 11:23

Het vogeljaar 2020 was voor een heel ander jaar als daarvoor. De Middelste bonte specht was voor mij het hoofddoel, na de ontdekking van een nestholte in aanbouw. Verder kwam ik de Zwarte specht nog tegen en ook de Kleine bonte specht. Deze kleinste specht van ons land had de pech dat ook een Grote bonte specht in de zelfde boom een meter lager een plek had uitgekozen om daar een holte in uit te hakken. Dat resulteerde later, midden in de broed van de Kleine bonte specht, tot een territorium conflict waarbij de Grote bonte specht de Kleine ging verjagen door de nestholte verder uit te hakken. De Kleine bonte specht was niet langer veilig en verkoos de aftocht.

De Middelste bonte specht speelde nog een bijzondere rol dit vogeljaar. Tijdens het filmen van het uitvliegen van de jonge vogels werd mijn aandacht getrokken door gespetter in het water van de Reusel. Ik dacht dat het een eend was in de naastgelegen beek, maar tot mijn verbazing bleek dat een van de uitgevlogen Middelste bonte spechten in het water terecht gekomen was. Dus snelde ik mij in het water en redden het drijfnatte vogeltje van een verdrinkingsdood. Ik heb de natte drenkeling in de zon tegen een boomstam gezet. Zo kon z'n lichaam opwarmen en opdrogen. Het jonge vogeltje moet al in het water gelegen hebben voordat ik daar arriveerde. Zonder mijn aanwezigheid zou het gestorven zijn. Was het niet door verdrinking, dan zou het wel aan onderkoeling zijn bezweken.

Het natte vogeltje bibberde een tijdje van de kou en bleef wel een half uur bewegingsloos tegen de boom hangen. Een paar keer dacht ik dat het zachtjes piepte. De zonneschijn had een goede uitwerking op toestand van het vogeltje. Het vogeltje werd wat beweeglijker en klom zowaar langzaam iets omhoog. Toen het ook luid om z'n ouders begon te roepen geloofde ik in een goede afloop. Na een tijdje kwamen beide ouders bij het jong en kreeg weer te eten. Daar knapte het duidelijk van op. Het klom steeds verder omhoog en begon zelfs het verenkleed te verzorgen.

Deze video 'Het vogeljaar 2020' is auteursrechtelijk beschermt en is gelieerd aan www.jozefvanderheijden-foto.nl en https://jozefvanderheijden-foto.blogspot.com

Krijgen we een winter met vorst en sneeuw?

Vannacht ging de temperatuur weer flink onderuit. Veel automobilisten moesten hun ruiten eerst schoon krabben voordat ze vanmorgen naar hun werk konden rijden. In de natuur hoeven ze niet te krabben, daar nemen de dieren het zoals het is. Tijd om wat mistige en bevroren plaatjes te maken. De winter komt er aan.

Bevroren landerijen met de mist die nog een tijd bleef hangen.

'Winter is onderweg, met morgen kans op de eerste sneeuwvlokken', kopt Weer.nl.
De kans is groot dat we dit weekend op verschillende plekken in ons land de eerste sneeuw gaan zien. Dat de winter eraan komt mag duidelijk zijn. De lucht in ons land wordt kouder, waardoor het de komende nachten licht kan gaan vriezen. Zaterdagochtend wordt het spannend voor winterliefhebbers. In het noordoosten valt wat neerslag en in Groningen is kans op de eerste sneeuwvlokken. De mogelijke neerslag trekt in de middag weg en dan schijnt op veel plaatsen de zon.

Na een kletsnatte maandag was het vannacht op veel plaatsen onde nul. In de zuidoostelijke helft van het land daalde de temperatuur naar waarden tussen 0 en -3 graden. Plaatselijk werd het ook mistig. De komende dagen belooft men droog weer, maar is het wel behoorlijk koud decemberweer met maxima van 2 tot 5 graden en in de nachten op veel plaatsen lichte vorst.

Rond het water van het Beleven bleef de mist nog langer hangen.

Krijgen we bij vorst ook meer trekvogels in onze regio?
Om tijdens de wintertrek meer vogels uit Scandinavië en hey hogen Rusland in onze streken te krijgen hangt het meeste af van de winterse omstandigheden tussen de noordelijke broedgebieden en de winterse omstandigheden op de trekroute naar ons land. En dan is het ook nog belangrijk dat het in noorden en noordoosten van Nederland ook winter wordt. Als het niet gaat vriezen en er geen sneeuw valt kunnen de vogels makkelijk aan voedsel komen. De kou is dan evenmin een probleem. Waarom zouden de trekvogels dan verder vliegen? Dat is dus de reden waarom er in Brabant weinig of geen Rietganzen, Rotganzen, Brandganzen, Kleine en Wilde zwanen en meer te vinden zijn in de wintermaanden. Om Kraanvogels tot in de Kempen te krijgen moet er langdurig een sterke oostenwind staan. Dan willen ze nog wel eens een stuk van hun koers afwijken. De vliegroute van de Kraanvogel ligt ongeveer boven de Nederlands - Duitse grens.

Laat de winter maar komen. Het liefst met droog weer en een beetje vorst.

dinsdag 1 december 2020

Alle Nederlandse spechten bij elkaar

We zitten nu in een periode van het jaar dat genieten van vogels beperkt is tot de tuinvogels en een enkele vogel die je in de vrije natuur ziet. Zelfs op de open wateren is het aantal vogels klein, zelfs kleiner als de jaren voordien. Ik hoop dat de afname, die de laatste vijf jaar een sterke daling heeft doorgemaakt, niet door blijft zetten. Anders kan het zijn dat een artikel als deze meer nodig worden door een gebrek aan nieuwe waarnemingen en foto's. De onrust in ons land is groot, maar herstelmaatregelen blijven uit. En dan bedoel ik de bron van de problemen oplossen, de stikstofuitstoot en gewasbestrijdingsmiddelen drastisch terugdringen.

Hier was het Kleine bonte specht vrouwtje op een dode tak aan het roffelen. Roffelen is een communicatie methode bij spechten.

De Kleine bonte specht is het kleinduimpje onder de spechten. Niet groter dan een flinke mus of een vink. Het is een onopvallend vogeltje dat je maar zelden te zien krijgt. Slechts zijn zang - een valkachtig 'kikiki'- verraadt hem. De Kleine bonte specht heeft veel zwarte en witte strepen op zijn vleugels en rug, maar geen rode onderstaart dekveren. Het mannetje heeft een rode, het vrouwtje een zwartwitte kopkap. Verder onderscheidt de Kleine bonte specht zich van zijn grotere broer door het ontbreken van de witte schoudervlekken.

De Kleine bonte specht hakte de nestholte uit in een dode top van een Populier, waar later de broed plaats vindt.

De Kleine Bonte Specht wordt vaak geassocieerd met oud en gevarieerd loofbos maar kan ook broeden in voormalige grienden, verboste moerassen en hoogstamboomgaarden. Het broedgebied omvat momenteel de duinstreek, delen van het rivierengebied en vrijwel geheel Hoog-Nederland. Sinds ongeveer 1975 breidde deze soort zich sterk uit over Noord-Brabant, Noord-Limburg en Drenthe. Dit proces, parallel aan de uitbreiding van Bosuil en Boomklever, illustreert het ouder worden van het bos in deze provincies. Extensiever bosbeheer en omvorming in natuurlijker bos spelen deze specht eveneens in de kaart. In sommige reeds langer bezette gebieden op de Veluwe en in Zuid-Limburg liep de stand echter om onbekende reden licht terug.



De Middelste bonte specht was op begin april begonnen met het uithakken van de nestholte. Dat uithakken neemt ruim 14 dagen in beslag. Het vrouwtje legt drie tot acht eieren, die op houtspaanders in het nest worden gelegd. De eieren zijn zuiver wit, want holenbroeders hebben geen schutkleur voor de eieren nodig. Na 16 dagen broeden komen de eieren uit. Beide ouders zogen voor het voeden en verzorgen van de jongen. Ze worden gevoed met wormen en larven. Als de jongen wat ouder worden komt er behoorlijk wat gekwetter uit het spechtengat. Dit bedelgedrag zet de ouders aan tot voeren. Na drie weken vliegen de jongen uit.

Nadat het nest is uitgehakt wisselen de Middelste bonte specht man en vrouw elkaar af bij het broeden.

In het grootste deel van de twintigste eeuw was de Middelste Bonte Specht een zeldzaamheid. Van de negen broedgevallen tot en met 1995 stammen de meeste uit Twente rond 1960. Vanaf 1996 nestelt de soort jaarlijks in het land, in sterk toenemende aantallen. Na de eeuwwisseling steeg het aantal vlot van enkele tientallen naar vele honderden broedparen. De verspreiding bleef aanvankelijk beperkt tot Zuid-Limburg, gevolgd door Twente, de Achterhoek, het Rijk van Nijmegen en Noord-Brabant. De soort rukt nog steeds verder naar het noordwesten op. Deze expansie past binnen een uitbreidingsgolf die ook in Duitsland en België opviel. Hij werd bevorderd door het ouder worden van bos en extensiever bosbeheer, met een grotere tolerantie van dood of stervend hout.

Nadat het jonge Middelste bonte specht was opgedroogd en langzaam hoger in de boom was geklommen werd het door de ouders gevoed.

Op de ochtend dat de jonge uitvlogen was er een in het van de Reusel terecht was gekomen. Omdat ik vermoedden dat ze uit zouden vliegen en daar opnames van wou maken was ik er gelukkig op tijd bij om de drenkeling uit het water te redden. Ik plaatste het vogeltje tegen de met zon beschenen deel van een grote wilg om warm en droog te worden. Nadat het opgedroogd was en weer naar zijn ouders begon te roepen werd het weer door de ouders gevoed. Het vogeltje maakte in het prille bestaan hachelijke momenten door. Ze zijn nog erg kwetsbaar en overleven het maar zelden als ze in het water komen. Zwemmen kunnen ze niet en onderkoeling zal ze fataal worden. Daar komt ook nog eens bij dat ze erg gestrest raken. Allemaal factoren die tot de dood kunnen leiden.



De Grote bonte specht is de meest algemene specht van Nederland. Zowel mannetje als vrouwtje roffelt op takken met een korte snelle roffel om territorium en paarband te versterken. Grote bonte spechten hakken in bomen een nestholte uit met een rond gat. Ze hebben een voorkeur voor zachte houtsoorten, zoals berken. In tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden is de grote bonte specht een relatief kleine spechtensoort. Een volwassen exemplaar meet doorgaans 20 tot 24 centimeter en weegt 60 tot 110 gram. De vleugelspanwijdte bedraagt 34 tot 39 centimeter. In tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden is de grote bonte specht een relatief kleine spechtensoort.

De Grote bonte specht heeft jonge die de hele dag honger hebben. De ouders vliegen af en aan.

Het verenkleed is aan de bovenzijde overwegend zwart en aan de onderzijde wit, met uitzondering van de rode anaalstreek. De veren hebben aan de bovenzijde grote, ovaalvormige witte schoudervlekken en zijn sterk gebandeerd. De kop is overwegend wit op de zijkanten en de keel. Vanaf de snavel loopt de zwarte baardstreep door in een grillige Z-vormige zwarte vlek, die naar beneden naar de borst en naar achter tot in de nek loopt. Het voorhoofd en het gedeelte rond de ogen is wit, de kruin is zwart. De specht op deze foto's is een volwassen vrouwtje. Het mannetje heeft een rode vlek in z'n nek, terwijl het vrouwtje een geheel zwarte kruin heeft.

Hoe meer bos, hoe meer Grote Bonte Spechten. De dichtheid van deze soort is dan ook het hoogst in de zwaar beboste delen van de zandgronden. Sinds 1975 breidde deze specht zich echter ook uit over de opener delen van het land, zodat hij tegenwoordig alleen nog in de meest boomloze landschappen ontbreekt. De opmars in Laag-Nederland was mogelijk door de toename van opgaande beplanting aldaar. De landelijke stand neemt nog steeds toe, iets dat bevorderd wordt door toenemende ouderdom van het Nederlandse bos en extensiever, op meer natuurlijk bos gericht beheer. In beide gevallen betekent dit meer voedsel en nestgelegenheid voor de Grote Bonte Specht.



Groene specht (Picus viridis) vrouw in de houtwal.

De Groene specht is een standvogel die zich ophoudt in open loofbossen, hoogstamboomgaarden, parken en oude houtsingels. Hij broedt meestal in een zelfgehakt hol in een oude loofboom. In de zomermaanden bestaat zijn voedsel vooral uit grote mieren (vooral rode bosmieren) en wordt meestal op de grond verzameld. De lachende roep van de groene specht is een opvallend kenmerk. Roffelt niet vaak en zwak, dat is meer voor de zwarte specht.

De groene specht is een forse vogel, met in vlucht opvallend groene stug en stuit en diep golvende vlucht. De kop van de groene specht is opvallend getekend met rode kruin en zwarte vlek rondom het oog. Mannetjes hebben daarnaast ook nog een rode vlek onder het oog, deze vlek is bij vrouwtjes zwart. Ze hebben een grijze dolksnavel. Onvolwassen vogels zijn zwaar gevlekt over het gehele lichaam. De kenmerkende lachende roep van de groene specht valt vaak het eerst op. Heeft een diepe golvende vlucht en zoekt vaak op de grond naar mieren.


Groene spechten broeden vooral in het kleinschalige cultuurlandschap met oude bomen en in de duinen, maar steeds vaker in polders in recreatiebossen, stadsparken en sportparken. In grote bosgebieden broedt hij vaak alleen langs de randen of rond kale stukken. De soort ontbreekt in grootschalige open landschappen en gebieden met een hoge grondwaterstand. Een nest maakt hij in oude loofbomen. Het voedsel zoekt de groene specht hoofdzakelijk op de grond. Insecten, vooral mieren staan boven op de menukaart van deze specht. Kan flink tekeer gaan op een mierenhoop. De groene specht is een uitgesproken standvogel die in strenge winters grote verliezen lijdt.

Tussen 1975 en 2000 onderging de verspreiding een opmerkelijke verandering. De soort verdween uit grote aaneengesloten bosgebieden op de zandgronden. Tegelijkertijd nam hij sterk toe in het Deltagebied (door het ouder worden van singels) en het rivierengebied (in feite een terugkeer, nadat hij er in eerdere instantie verdween). Als geheel nam de landelijke stand eerst af, maar sinds 1990 weer fors toe. Een terugval rond 2010 kan samenhangen met enkele sneeuwrijke winters. Ook in het verleden bleek de stand gevoelig voor lang aanhoudende sneeuwperioden. Iets waarmee de op de grond naar mieren zoekende Groene Specht slecht uit de voeten kan.



De Zwarte specht (Dryocopus martius) is met z'n lengte van 46 cm de grootste specht die ons land kent. Het is de enige uit het geslacht Dryocopus. Hij is eenvoudig te herkennen aan zijn grote formaat, zijn zwarte verenkleed met rode kopkap en zijn typische roep. De man heeft een geheel rode kruin, vanaf het voorhoofd tot achter zijn kruin. Bij het vrouwtje is alleen de achterkruin rood. De zwarte specht is een geheimzinnige bosvogel met een teruggetrokken levenswijze. Kan elk jaar een nieuw nest uithakken in dikke loofbomen. Zo biedt de Zwarte specht holten voor bosuilen, boommarters en vele andere soorten. Ze zijn schuw en vliegen snel weg zodra ze een mens waarnemen, of blijven uit het zicht aan de andere kant van de boom. De roffel van de zwarte specht is langzamer, langer en zwaarder dan de grote bonte specht.


In het nest worden enkele houtspaanders gelegd, waar de eieren op gelegd worden. Beide ouders broeden twee tot vijf witte eieren uit in twee weken. De jongen blijven vier weken in het nest en worden na het uitvliegen nog 1 tot 2 maanden bijgevoerd. Beide ouders wisselen elkaar bij het broeden na elke 2 tot 2,5 uur. Volwassen Zwarte spechten brengen doorgaans hun hele leven door in hetzelfde territorium. Vanaf augustus duiken ook vogels op enige afstand van de broedgebieden op, mogelijk onvolwassen exemplaren. Ze kunnen soms maandenlang in een gebied blijven hangen maar leggen daarbij behoorlijke afstanden af.

De Zwarte specht vestigde zich rond 1913 in Nederland en breidde zich vanuit het oosten van het land snel uit. De huidige verspreiding bestrijkt nagenoeg alle grotere bossen op de zandgronden van Oost- en Zuid-Nederland. De aanwezigheid van oude beuken, een geliefde nestboom, is daarbij niet per se vereist. De nesten waarvan broedbiologische gegevens werden verzameld zaten in de volgende boomsoorten: Beuk, Grove den, en Zwarte populier. Het voedsel bestaat uit mieren, larven en kevers. Het meest favoriete voedsel zijn de boktorlarven, schorskevers, humusmier en rode bosmier, die voornamelijk uit dode staande en liggende boomstammen worden uitgehakt. Ook mieren die in boomstronken zitten staan op het menu van de Zwarte specht. De hoeveelheid dood hout in een perceel heeft daarbij een positief effect op het gebruik als foerageergebied, terwijl de dichtheid van de ondergroei een negatief effect heeft op de keuze voor foerageerplekken.

De spechten broedden voornamelijk in levende beuken, maar ook in andere boomsoorten met een weinig betakte en liefst gladde stam. Het is niet aannemelijk dat nestelgelegenheid een bottleneck vormt voor de soort in Nederland. De gezenderde spechten hadden in het algemeen een voorkeur voor naaldhout boven loofhout en waar voldoende variatie in boomsoorten in het terrein aanwezig zijn, bestond er een voorkeur voor Grove Den. Ze bezochten vooral open percelen, maar waarschijnlijk is dit een afgeleide van de leeftijd van deze percelen en de daarmee samenhangende beschikbaarheid van dood hout. De voorkeur voor een dichtere struiklaag of tweede boomlaag, die in Noord-Brabant werd vastgesteld is waarschijnlijk eveneens een verschijnsel van de hogere leeftijd van de betreffende bospercelen. De aanwezigheid van wegen en paden was niet van invloed op de keuze van nest- en foerageerlocaties van Zwarte Spechten, met uitzondering van snelwegen.



Dan rest er nog een specht; de Draaihals. De Draaihals is een kleine (half)specht die geen holte maakt. De Draaihals gebruikt spleten en loshangende stukken boomschors om daar een nest in of achter te maken. De Draaihals is een trekvogel. De Nederlandse draaihalzen overwinteren in Afrika ten zuiden van de Sahara. Vanaf half april-begin mei zijn ze weer terug in Nederland. Tot in mei zijn ook overal in Nederland doortrekkers (zeldzaam) waar te nemen die richting Scandinavië gaan. Ze trekken 's nachts. In het najaar doortrek van half augustus tot ver in oktober.

Omdat ik geen foto heb van de Draaihals, hier een video van Lothar Lenz

Draaihalzen broeden in Nederland op de Veluwe, in Drenthe en een enkele locatie elders op de zandgronden. Incidenteel wordt op veenbodems gebroed op kapvlakten en heide. Buiten de Veluwe en Drenthe gaat het vaak om kortstondige vestigingen. De soort was in de eerste helft van de twintigste eeuw in het oosten, zuiden en midden van het land geen zeldzame broedvogel. Aanhoudende afname, zoals ook elders in West- en Midden-Europa opgemerkt, bracht de aantallen terug tot rond 200 paren omstreeks 1975 en hooguit enkele tientallen sinds 2000. Daarna trad enig herstel op tot 35-75 paren, en in de laatste jaren (2018) 80-100 paren.

dinsdag 24 november 2020

De Buizerd vliegt over het Beleven

Voordat ik naar de Flaes reed wist ik deze Buizerd op de foto te zetten. Hij vloog in Reusel over het Beleven. De foto's zijn flink uitgesneden. De oorspronkelijke breedte van de laatste twee foto's (orgionele grootte 5568 x 3712 pixels) is maar 2400 x 1600 pixels overgebleven. Van de 21 Megapixels naar een uitgesneden deel niet groter dan 3,8 Megapixels.

Overvliegende Buizerd met de poten airodinamisch tegen het achterlijf.

De buizerd (Buteo buteo) is een middelgrote tot grote roofvogel uit de familie van de havikachtigen (Accipitridae). De Buizerd valt vaak vaak op door zijn afwachtende houding, zittend op een weipaal of met ‘gevingerde’ vleugels cirkelend in de lucht. Hij is overwegend een standvogel die in hetzelfde gebied overwintert als waar hij broedt, behalve in de koudste gebieden en op enkele ondersoorten na.

Bij buizerds bestaat een grote kleurvariatie, er zijn erg donker gekleurde exemplaren tot bijna wit en alles daar tussen. Het bovengedeelte is effen, terwijl aan de onderkant verschillende dwarsbanden getekend zijn. De staart van een volwassen buizerd heeft naast de donkere eindband nog 8-10 smalle donkere dwarsbanden. De spanwijdte van de vleugels is ongeveer 113 tot 128 cm. De totale lengte van kop tot staart is ongeveer 51 tot 57 centimeter.


Wat voedsel betreft is de buizerd een flexibele vogel en een opportunist; hij eet wat voorhanden is. Vandaar ook z'n brede verspreiding. Veldmuizen, mollen of konijnen vormen vaak het hoofdvoedsel samen met kikkers en kleine vogels. Een buizerd kan als het nodig is snel overschakelen op een ander voedingspatroon: ook dieren als eekhoorns, hazelwormen, waterhoentjes, insecten, verschillende amfibieën of vissen zijn dan niet veilig. Ook eet hij wel aas, meestal verkeersslachtoffers.

Als hij een prooi ziet vanaf zijn uitkijkpost laat de buizerd zich er als een baksteen op vallen. In de winter zitten ze ook vaak op de grond; dan eten ze regenwormen. Mensen worden zelden of nooit door buizerds aangevallen, behalve een enkele keer joggers. Zij worden dan mogelijk instinctief geïnterpreteerd als een indringer op de vlucht.

Drie Zwarte zwanen op de Flaes

Vandaag zag ik drie Zwarte zwanen op de Flaes in Landgoed De Utrecht. Dit deel van het landgoed ligt op het grondgebied van Gem. Reusel de Mierde, dan wel het buitengebied van Lage Mierde. Een van de drie Zwarte zwanen was een man, de andere twee zijn vrouwtjes. Man en vrouw zijn bijna identiek. Geheel zwart met wat witte slagpenuiteinden, zwartgrijze poten, rode snavel met voorop een witte dwarsstreep en rode ogen. Vrouwtje is iets kleiner met een kortere, dunnere hals, lichtere rode ogen, lichtere rood gekleurde snavel en minder sterk opgekrulde slagpenveren.

Deze twee vormen een koppel. Als de een in een bepaalde richting weg zwom, volgde de ander. De achterste is een man (witte slagpen uiteinde).

De zwarte zwaan (Cygnus atratus) is een vogelsoort uit het geslacht Cygnus (zwanen). De zwarte zwaan is bijna volledig zwart met enkel witte handpennen. De rozerode snavel is lichter op de punt. De poten zijn grijs. De zwarte zwaan heeft van alle zwanen de langste hals: meer dan half zo lang als de totale lichaamslengte. Hij wordt 110 tot 140 centimeter lang en tot zes kilogram zwaar. De zwarte zwanen vormen rond hun tweede levensjaar een koppel voor het leven. De kuikens worden door de ouders samen opgevoed. De zwarte zwaan is niet honkvast. Bij zwerftochten kan hij afstanden van honderden kilometers overbruggen en zorgt zo ook zelf voor zijn verspreiding. Kenmerkend is de klagende, trompetterende roep bij hun nachtelijke vluchten. Zijn voedsel bestaat uit grassen en waterplanten. De zwarte zwaan is nauw verwant aan de knobbelzwaan.


Zwarte zwanen zijn monogaam, ze houden meestal hun hele leven dezelfde partner. Bij de voorplanting blijven de paartjes meestal afgezonderd. Af en toe planten ze zich echter ook wel voort in kolonies. Naar schatting is een kwart van alle paartjes homoseksueel. Meestal zijn dit mannetjes. Ze stelen nesten, of vormen ​​tijdelijke een trio met een vrouwtje om eieren te krijgen. Nadat het vrouwtje de eieren heeft gelegd wordt ze weggejaagd waarna de mannetjes de eieren gaan uitbroeden.


Deze soort komt van nature voor in Australië, Tasmanië en Nieuw-Zeeland. Hij leeft in zoet- en brakwatergebieden. Een expeditie onder leiding van Willem de Vlamingh ontdekte in 1696 als eerste Europeaan deze zwarte zwanen aan de Zwanenrivier bij het hedendaagse Perth. Tot dan toe stonden zwarte zwanen in Europa bekend als voorbeeld van iets wat niet bestond, de ontdekking kreeg daarom spreekwoordelijke betekenis. De zwarte zwaan is een populaire sierwatervogel die veel wordt gehouden en gekweekt. Ontsnapte of uitgezette exemplaren kan men ook in de Europese natuur tegenkomen, maar worden beschouwd als exoot. In Europa broeden ze het gehele jaar door.

De meeste Zwarte Zwanen houden zich op in paren of familiegroepjes in of bij de broedgebieden. Concentraties tot enkele tientallen exemplaren zijn bekend van ruiplekken als het Volkerakmeer en IJsselmeer (juli), of treden op in de nabijheid van goed bezette broedplaatsen. Tijdens strenge vorst zoeken Zwarte Zwanen ijsvrije wateren op, waaronder snelstromende beken. De landelijke aantallen namen vooral in de jaren negentig van de twintigste eeuw sterk toe, maar lijken in de nieuwe eeuw af te vlakken.

woensdag 18 november 2020

De Aalscholver strijkt neer op het Beleven

Vanmorgen scheen de zon weer eens volop. Ik koos er voor om nog eens naar het Beleven (Reusel) te gaan. Net als de afgelopen tijd, zaten er nu ook geen bijzondere vogels. Het enige moment dat mijn tijd daar de moeite waard maakte was het fotomoment met een Aalscholver die op het water neer streek.

De Aalscholver strijkt neer op het Beleven.

De Aalscholver (Phalacrocorax carbo) is een tamelijk grote en opvallende vogel. De in West-Europa voorkomende aalscholver behoort tot de familie van de aalscholvers (Phalacrocoracidae), waarvan (afhankelijk van de geraadpleegde bron) 26 tot 42 soorten bekend zijn. Het zijn allemaal vrij grote watervogels, die voornamelijk van vis leven. Ze vormen met de genten, fregatvogels en slangenhalsvogels een eigen clade.


De aalscholver is 80 tot 100 cm lang en heeft een spanwijdte van 121 tot 149 cm. De vogel is vrijwel geheel zwart, maar met een opvallende witte wang en een gele plek op de plaats van de aanhechting van de bek. De snavel is lang en voorzien van een haakvormige punt. In de broedtijd verschijnt er een witte "dijvlek". De dij is anatomisch geen dij, maar het bevederde scheenbeen (tibia) van de vogel, waarop bij volwassen aalscholvers tussen februari en juni een witte vlek verschijnt. De aalscholver heeft zwemvliezen tussen de voortenen en kan dus zwemmen en hij vangt vis door te duiken.


De Aalscholver is een oude, vertrouwde bewoner van het waterrijke Nederland. Het is een forse, donkere watervogel met gehaakte snavel. Een goed instrument voor de visvangst. Hun vlucht is stevig en resoluut, ze vliegen in strakke lijn naar hun bestemming. Vertrouwd is ook het beeld van aalscholvers met gespreide vleugels om ze te laten drogen. Aalscholvers broeden in kolonies.

dinsdag 17 november 2020

De unieke streepjescode van de Gaai

Gaaien vallen niet alleen op door hun verstopkunsten, maar ook door hun kleurrijk verenkleed. Het meest in het oog springend zijn de blauwe veren met donkerblauwe streepjes op de vleugels. Iedere gaai heeft hiermee een unieke streepjescode en is individueel te herkennen.

De tekeing in het blauwe deel van de vleugels is een soort van vingerafdruk bij de Gaai.

Veel mensen kennen het bekende prachtige blauw met zwart gestreepte vleugelveertje van de gaai dat menig boswachtershoedje siert. Dit veertje behoort tot de mooiste vogel trofeeën van Nederland en België. Inmiddels maak je steeds meer kans om zelf zo’n prachtig veertje in een stadspark te vinden. Want hoewel de gaai van oorsprong een vrij schuwe bosvogel is, duikt deze prachtige verschijning steeds vaker op in bewoonde gebieden. Deze ontwikkeling wordt vooral ingezet door een flinke toename van deze vogel, zowel in Nederland als België, vooral in Vlaanderen.

De streepjescode van de gaai zie je steeds vaker in het blauwe gedeelte van de vleugels terug.

Was de gaai voorheen een uitgesproken bosvogel, tegenwoordig zie je ze steeds vaker in parken en tuinen, zelfs midden in de grote steden. Let eens op de verdeling van de blauw met zwarte streepjes op de vleugel, want iedere gaai heeft zijn eigen unieke streepjescode. Je zult ze op den duur daardoor individueel herkennen. De meeste gaaien zijn standvogel en blijven in de buurt. De aanwezigheid van eiken is een voorwaarde, omdat de eikels een belangrijk deel van hun voedsel vormen. Het type bos maakt verder niet uit. Hun favoriete voedsel bestaat uit eikels. Maar in de maanden dat ze er niet zijn, eten ze ook graan, fruit, insecten, eieren, jonge vogels en muizen, die in de stad ruim voorhanden zijn.

De Nederlandse gaaien blijven in Nederland in de buurt van hun broedgebied. Geregeld zijn er in het najaar ‘invasies’ van hoge aantallen gaaien die in groepjes uit het Oost-, Midden- of Noord-Europa (zoals in 2010) ons land bereiken. Als ze op de kust stuiten, lijken ze zich over het land te verspreiden. Zulke invasies vinden tot nu gemiddeld eens in de acht jaar plaats. Dus er komt er binnenkort weer een aan.

maandag 16 november 2020

Gewone boomwratjes op een boomstronk

Vanmorgen viel het nog mee met de regen die verwacht werd, dus ging ik een stukje wandelen langs de Raamsloop, tussen Hulsel en Bladel. Daar zag ik een aantal bolvormige zwammetjes boven op een boomstronk. Het bleek een slijmzwam te zijn, de Gewone boomwrat of Bloedweizwam (Lycogala epidendrum), soms ook 'blotebilletjeszwam' genoemd.

Gerijpte Gewone boomwrat of Bloedweizwam (Lycogala epidendrum) op een boomstronk.

De bloedweizwam of gewone boomwrat (Lycogala epidendrum) is een slijmzwammetje dat op dood hout in zowel gemengd bos als naaldbos voor komt. De gewone boomwrat is feitelijk geen paddenstoel, maar een slijmschimmel (Myxomyceet). De levenscyclus van slijmschimmels omvat een ééncellig en een meercellig stadium. Tijdens het eerste stadium bestaan slijmschimmels uit talrijke, amoebe-achtige cellen (myxamoeben) die in het substraat rondkruipen en zich voeden met bacteriën en schimmel-, varen- of mossporen. In het volgende stadium kunnen talrijke myxamoeben fuseren tot één "reuzencel" met vele kernen, een zogenaamd plasmodium. Dit plasmodium kan zich door stroming van het protoplasma met een voor een micro-organisme grote snelheid verplaatsen (wel 1 mm per seconde of meer). Wanneer de voedselvoorraad opraakt, verplaatst het zich naar de oppervlakte van het substraat en verandert in een vruchtlichaam (aethalium) waarin sporen worden gevormd. Die sporen kunnen zich na verspreiding ontwikkelen tot myxamoeben, waarmee de cyclus is gesloten.

In het geval van de boomwrat zien de vruchtlichamen er uit als roze tot rozebruine wratachtige knobbels, die op het oppervlak van het dode hout verschijnen. Meestal betreft het dan hout dat al vrij ver is vergaan. Die knobbels kunnen een diameter van 3 tot 15 mm hebben, en bezitten meestal een "korrelig" oppervlak. In onrijpe toestand zijn ze gevuld met een roze, pasta-achtige vloeistof (vandaar de Nederlandse naam "bloedweizwam" of "bloedweiwrat"), na rijping bevatten ze grijs sporenpoeder.


Slijmzwammen bestaan ​​al miljoenen jaren, maar er zijn bijna geen fossielen van hun bestaan. Zoals de gelinkte pagina van Berkeley uitlegt, laten de mallen niets achter dat substantieel genoeg is om te worden bewaard door middel van geologische dienstregelingen.