woensdag 5 februari 2020

Mijn visuele natuurverhalen

Mijn naam is Jozef van der Heijden. Ik woon in de Brabantse Hulsel.
Ik fotografeer al sinds de 70er jaren. Ik begon met een kleinbeeld fotocamera en een Super 8 filmcamera met geluidsregistratie. Op de boerderij filmde ik Groenlingen en Kneuen die de jongen op hun nest verzorgde. Mijn interesse gaat naar de natuur in het algemeen. Van vogels tot paddenstoelen, mossen, korstmossen en landschappen. Maar vogels fascineren mij wel het meest. Daarnaast ben lid van diverse natuurbescherming organisaties (zie de logo's hieronder).

Hoewel vogels mijn voorkeur genieten, ontdekte ik op 4 januari 2019 de Opkrullende strookzwam in de bossen van Hapert, officieel de 19e geregistreerde vondst in Nederland sinds 1855 en de eerste sinds 1985. Daarna vond ik nog twee plaatsen waar deze zeer zwam voor kwam. Op 16 oktober 2019 vond ik op Landgoed Wellenseind de eveneens zeer-zeldzame Kroontjesknotszwam. Verspreidingsatlas.nl meldt sinds 1990 slechts 105 vindplaatsen in Nederland.

Volg mij op: Facebook Twitter YouTube en met www.jozefvanderheijden-foto.nl. Mijn onderwerpen: Alles wat de natuur gedurende de vier jaargetijden biedt.

De Vlaamse gaai heeft een eikel beet

Vanmorgen zag ik een Vlaamse gaai in de houtwal achter bij onze schuur. De Gaai had een eikel tussen z'n snavel. Afstand: ± 70 meter - 700 mm tele plus 1.4 teleconverter (1050 mm FX-formaat). Uitsnede: 50% van het beeld.

Bij het testen van mijn camera nadat ik de lenzen en sensor schoon maakten, zag ik de Gaai met een eikel.

De gaai (Garrulus glandarius), ook wel Vlaamse gaai genoemd, is een opvallend gekleurde kraaiachtige. De wetenschappelijke naam van de soort werd als Corvus glandarius in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. De gaai is 32 tot 35 cm lang. De nominaatvorm van de vogel, die onder andere in de Benelux voorkomt, is overwegend grijsbruin met een roze tint. De keel, onderbuik, anaalstreek, de stuit en een gedeelte van de handpennen zijn wit. Kenmerkend zijn een brede zwarte snorstreep en een blauw vleugelveld dat bestaat uit lichtblauwe veertjes met daarin een fijne, zwarte bandering. De vogel kan bij opwinding de kruinveren opzetten, deze zijn afwisselend licht van kleur met zwart.

Voedsel vindt de gaai in bomen en struiken, in de lucht en op de grond; het betreft een breed spectrum van dierlijk en plantaardig dieet: insecten en ongewervelden (waaronder veel plaagdieren), eikels, beukennootjes, hazelnoten en andere zaden en noten, vruchten als bramen, kersen, frambozen en lijsterbessen. Ook kleine of jonge zangvogels en eieren behoren tot het dieet, evenals kleine knaagdieren. Met de sterke snavel hakt de gaai gaten in harde omhulsels als slakkenhuizen, notendoppen en eierschalen en doorwoelt hij bodem, dierenpoep en menselijk afval. De Gaai heeft dus graag nootjes. Zo staat de eikel in de herfst- en wintermaanden op zijn hoofdmenu. De grote pinda's zijn een niet alledaagse aanvulling, en daarmee extra aantrekkelijk om mee te nemen.

De eik is afhankelijk van de gaai voor het verspreiden van eikels: de gaai vervoert ze in zijn keel en tussen zijn snavel naar plaatsen met een zachte ondergrond, waarna hij ze in de aarde duwt. Zo legt hij een wintervoorraad aan. Hij vergeet alleen een aantal plekjes. Wat niet teruggevonden wordt, kan uitgroeien tot een nieuwe eik. Om deze reden wordt de gaai ook wel 'de grootste bosbouwer' genoemd. De Duitse naam voor de gaai (Eichelhäher) typeert het gedrag. De wetenschappelijke naam Garrulus glandarius valt vrij te vertalen als voortdurend krassende eikelzoeker.

Houtduiven zitten te zonnen in de houtwal

Voormiddag kwam de zon nog eens goed te voorschijn. Na een lange periode met veel bewolking en veel regen, was het vanmorgen weer een helder. Meteen het moment om de camera ter hand te nemen. ik heb van de week de opnamesensor laten reinigen en de lensdelen van de telelens en de teleconverter goed schoon gemaakt. Een karweitje dat toch jaarlijks gedaan moet worden, zeker bij grote telelenzen.

 De houtduiven in de houtwal. Zonnen en het verenkleed oppoetsen.

Houtduiven hebben een grijspaarse kop, grijze bovendelen en grijsroze borst. Ze hebben zwarte armpennen en een brede zwarte eindband op de staart. Deze vogels hebben een witte vlek in de nek en een witte band op de vleugels, die goed zichtbaar zijn tijdens de vlucht, waardoor de soort op grotere afstand ook makkelijk te onderscheiden is van de stadsduif en holenduif. Ze hebben een korte, gele snavel met een rode basis en korte roze poten. Het verenkleed bij beide geslachten is gelijk. Hoewel houtduiven kunnen overkomen als dommige en sullige vogels zijn ze op hun foerageer- en nestplaats tamelijk agressief. Ze kunnen met hun vleugels rake klappen uitdelen aan soortgenoten, maar ook aan bijvoorbeeld eksters. Er vallen tijdens deze schermutselingen echter nooit doden. De lichaamslengte bedraagt 41 tot 45 cm, het gewicht 275 tot 700 gram en de spanwijdte 68 tot 77 cm.


Houtduiven komen voor in vrijwel het hele land, zij ontbreken alleen in de meest boomloze landschappen. Zij broeden in uiteenlopende biotopen, van tuinen en parken tot bossen. Voor hun voedsel bezoeken ze daarnaast ook vaak akkers, waar graanresten te vinden zijn. Hoewel zij in het broedseizoen vaak solitair zijn, kunnen ze buiten het broedseizoen in grote groepen worden aangetroffen.

Hun voedsel bestaat uit zaden, oogstresten, zaden van wilde planten, gevallen bessen en ander beschikbaar voedsel. In stedelijk gebied zijn dat vaak rondslingerende etensresten. In de herfst en winter zoeken ze in eikenbossen vaak massaal naar eikels om die op te eten.

zondag 19 januari 2020

Hoe Vlaams is de Vlaamse Gaai eigenlijk

De Vlaamse gaai blijft intrigerend. Terwijl de soort in bijna heel Europa en een deel van Noord-Afrika, en zelfs tot ver in Azië voorkomt, is deze vogel tot enkele jaren geleden qua naamgeving als Vlaams bestempeld. Wat er dan zo Vlaams is aan een Vlaamse gaai, is zelfs voor menig doorwinterd vogelaar niet meteen duidelijk.

De Vlaamse Gaai in de houtwal maakt zich niet druk om zijn naam.

De naam Vlaamse gaai bestaat al lang. In een werk van Houttuyn uit 1762 lezen we dat 'De Staaten van Zeeland, in hun Plakkaat van den jaare 1712, de Kraaijen, Aaksters en Vlaamsche Gaaijen alle te samen behandelen, op dergelyken voet, gebiedende het verstooren van derzelver nesten ...'. Ook Maitland had het in zijn 'Prodrome de la Faune des Pays-Bas et de la Belgique flamande', een werk uit 1897 al over de Vlaamse gaai. Maar waar slaat dat Vlaams juist op? Klaas J. Eigenhuis (29 maart 1948 - 20 augustus 2018), een eminent Nederlands ornitholoog en auteur van het onvolprezen 'Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen', reikt vier verklaringen aan. De twee verklaringen die zijn voorkeur wegdragen, vind je hieronder.

In een eerste verklaring verwijst Eigenhuis naar het invasieve karakter van de soort. Vlaamse gaaien kunnen in sommige jaren de Lage Landen met tienduizenden overspoelen. Vooral in het najaar voltrekken zich soms ware invasies. Van waar al die vogels plots kwamen, was vroeger (en in minder mate ook nu nog) voer voor speculanten. Deze verklaring stelt dat het 'Vlaamse' bij de Gaai zijn oorsprong zou hebben gevonden in Nederland (meer bepaald in Zeeland), omdat de Zeeuwen gedacht zouden hebben dat al die invasiegaaien uit Vlaanderen afkomstig waren. Ook de, in sommige delen van Nederland gebruikte volksnaam, 'Spaanse ekster' kan hierdoor misschien worden verklaard.


Invasievogels worden wel vaker gelinkt naar het vermeende land van herkomst. Het meest bekende voorbeeld is zonder twijfel de Pestvogel die in het Engelse taalgebied luistert naar de naam Bohemian Waxwing, een vogel die dus uit de Bohemen (een historische regio uit Tsjechië) afkomstig zou zijn. Eigenhuis vergelijkt het een beetje met de Franse leeuwerik, een volksnaam die in Zuid-Holland werd gebruikt voor de Strandleeuwerik. Of de Dutch Crow, waarmee men in Yorkshire vroeger verwees naar de Bonte kraai, ook al waren en zijn Bonte kraaien eigenlijk geen typische Nederlandse vogels.

Een tweede verklaring voor de naam is dat de soort wordt gekenmerkt door een fraai verenkleed dat deed denken aan de kledij van de gegoede burgerij uit het rijke Vlaanderen. Een beetje zoals bij de Vlaamse viesel, een zeldzame historische naam voor de Pestvogel, waarbij 'Vlaams' vermoedelijk ook een associatie inhoudt naar het 'deftige' verenkleed van de soort. Eén ding is duidelijk: ornithologie en etymologie zijn bijzonder moeilijke, complexe maar uitdagende wetenschappen en de combinatie van beide leidt soms tot vernieuwende en verrassende inzichten.

Het maakt natuurlijk niet uit of je Vlaamse Gaai of gewoon Gaai zegt. Maar in de namenregisters wordt al jaren 'Vlaamse' weggelaten en gewoon als 'Gaai' door het leven gaat.

Tekst: Dominique Verbelen, Natuurpunt Studie (naar: Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen' van K.J. Eigenhuis, 2004.)

donderdag 16 januari 2020

Waterhoen weerspiegeld in het water

Na een lange periode met grijs weer verdween de nevel naarmate de zon verder op kwam. Dat geeft weer kleur aan plant en dier. Zo kleurde het Waterhoen mooi op. Deze "waterkip" blijft in Nederland. Midden in de winter zijn Waterhoentjes het talrijkst in het westen en zuidwesten van het land.

 Eindelijk weer zon. Het Waterhoen wordt weerspiegeld in het water.

Het Waterhoen is een algemene vogel in Nederland. Opvallend is zijn rode snavel met gele punt. Tijdens het zwemmen of lopen is zijn staart omhoog gericht. De witte onderstaartdekveren zijn dan goed zichtbaar. Jonge waterhoentjes volgen deze witte signaalveren. Het waterhoen broedt langs allerlei zoet water, als kleine sloten en vijvers, ook in dorpen en steden.

Het zwarte verenkleed, met witte vlekken langs de flanken. Opvallende witte onderstaartdekveren met zwarte middenstreep. Rode snavel met gele punt. Heeft een rode bles. Met hun typische (groengele) moerasvogelpoten kunnen ze over drijvende watervegetatie lopen zonder al te diep weg te zakken. Tijdens het zwemmen of lopen is zijn staart omhoog gericht. Juveniel is donkerbruin zonder de opvallende vooral rode snavel.


Het waterhoen is een algemene broedvogel van meren, plassen, rivieren, vijvers en sloten met een dichte oevervegetatie, hierbij hebben ze een lichte voorkeur voor voedselrijke wateren. Het waterhoen is een vaak verborgen levende vogel die zich vooral ophoudt in dichte oevervegetaties. Hierin maken ze ook hun komvormig nest van waterplanten. De lange tenen zorgen er voor dat ze niet wegzakken in de modderige oevers. Waterhoentjes zoeken elkaar in de wintermaanden op in de buurt van grote vijvers en sloten. Hier moeten ze wel voldoende voedsel en dekking kunnen vinden.

zaterdag 4 januari 2020

Eikenbloedzwam (Stereum gausapatum)

Vanmorgen zag ik in de bossen ten noorden van de Neterselse Heide een eikenboom die volgegroeid was met mos. Toen ik ging kijken of er eventueel Mosklokjes tussen zouden staan zag ik dat er Eikenbloedzwam aan de onderkant van een tak zat.

Eikenbloedzwam aan de onderkant van een tak van een Eik

Eikenbloedzwam is een korstvormige vruchtlichaam met golvende of gekroesde, afstaande, viltige, oranje- tot roestbruine, soms wat donkerpaarsachtige hoed (1-2 cm), met witte rand. De onderzijde is glad, zonder plaatjes of poriën, okerkleurig tot bleekbruin, roodkleurend bij beschadiging of vochtig weer. Sporen wit. Deze korstzwam groeit dakpansgewijs boven elkaar op dood hout van eiken. Kan het hele jaar door gevonden worden.


Saprotroof op stammen en stronken van Eik (Quercus), soms op ander loofhout, vooral in loofbossen op voedselarme zandgrond.

vrijdag 3 januari 2020

De Geelgors is talrijkste gors in Europa

De geelgors (Emberiza citrinella) is een zangvogel, uit de familie der gorzen (Emberizidae). Het is de meest voorkomende gors in Europa. Buiten het broedseizoen verzamelen zich grote groepen geelgorzen, maar tijdens het broedseizoen is de geelgors strikt territoriaal.

Mannetjes en vrouwtjes van de Geelgors zien er in de winter vrijwel het zelfde uit

Het is een stand- en zwerfvogel die iets groter is dan de mus. Het bereikt een lichaamslengte van 16 tot 17 centimeter en weegt 25 tot 30 gram. De mannetjes dragen tijdens het broedseizoen een geel verenkleed. Ze hebben dan een helder gele kop met een paar bruinachtige strepen en een gele onderzijde met een rood-bruine borst. De vleugeldekveren zijn bruin-grijs gekleurd. De bovenzijde van het lichaam is bruin met donkere lengte strepen. De staart is donker en wanneer hij vliegt vallen de witte buitenranden op. De vrouwtjes zijn onopvallend groenbruin van kleur, maar met gele accenten aan de onderkant. In het winterkleed lijken de vrouwtjes en mannetjes op elkaar.


De geelgors leeft hoofdzakelijk van zaden maar in de broedtijd ook van wormen en insecten. De voeding van jongen bestaat voornamelijk uit ongewervelde dieren, zoals spinnen, kevers, springstaarten, mieren, rupsen en sprinkhanen, maar ook semi-rijpe korrels. Geelgorzen foerageren bij voorkeur in de vroege ochtend- en avonduren.

De geelgors komt voor in een groot deel van Midden-Azië en Europa. Bovendien is deze gors geïntroduceerd in Australië en Nieuw-Zeeland. De geelgors komt voor in heide begroeid met ver uit elkaar staande bomen, in bosranden, wegbermen en in heggen en houtwallen. Door het verdwijnen van heggen en houtwallen is de geelgors in de twintigste eeuw sterk achteruitgegaan. De geelgors stond op de Nederlandse rode lijst, maar doordat de populatie zich herstelde, staat deze vogel niet langer op deze lijst. Volgens SOVON steeg in de periode 1990-2007 het aantal broedparen significant. Rond 2007 broedden er ongeveer 25.000 paar in Nederland.[2] Helaas is de situatie in Vlaanderen anders. Daar gaat het nog steeds niet goed met de geelgors want die staat op de Vlaamse rode lijst als bedreigd.

donderdag 2 januari 2020

Knikkergalwesp galnootjes (Andricus kollari)

Ze vallen misschien niet zo op, maar de bruine balletjes aan eikentakjes zijn geen eikels, maar Knikkergalwesp nootjes. De waardplant is de eik (Quercus), meestal de Zomereik. De Amerikaanse eik kent niet zoveel schadelijke insecten. Op Amerikaanse eik vind je amper 20 soorten insecten, terwijl er dat op Zomereik minstens 400 zijn. De Knikkergalwesp is een parasiet.

Galnootje van de Knikkergalwesp (Andricus kollari).

De knikkergalwesp (Andricus kollari), veroorzaker van de knikkergal, is een galwesp die voor komt op zomereik en wintereik. Uit de knikkergallen komen mannelijke en vrouwelijke wespen. Na bevruchting leggen de vrouwtjes eieren op de moseik die als tussenwaardplant fungeert. Op de moseik worden daardoor vogelnestgallen (Andricus kollari forma circulans Mayr) gevormd. Uit deze gallen komen alleen vrouwelijke galwespen die door parthenogenese in staat zijn eitjes te leggen op de zomereik en wintereik waarop dan vervolgens de knikkergallen gevormd worden.


De knikkergal of galnoot is een gladde, ronde, 10–20 mm grote gal, die voorkomt in bladoksels van tweejarig hout van de zomer- en wintereik en wordt veroorzaakt door de galwesp Andricus kollari. De galwesp legt haar eitje in de bladoksels, waarna de boom geprikkeld wordt tot het vormen van gallen. De gal is groen, maar wordt in augustus bruin en heeft een dikke, harde wand. In de gal zit de larve van de galwesp. Eind augustus- begin september kruipt de galwesp door een op een houtworm lijkend gaatje uit de gal. De gal kan na het verlaten van de galwesp aan de boom blijven zitten.

woensdag 1 januari 2020

Een Gelukkig Nieuwjaar

Een gelukkig Nieuwjaar en veel voorspoed en gezondheid voor 2020. In het verleden was het de normaalste zaak van de wereld dat de jaarwisseling gevierd werd met voorwerk. Toch hoop ik dat er de komende jaren minder vuurwerk afgestoken wordt. Vooral de knallers, die zijn een ramp voor de dieren.


Laat 2020 een jaar worden met minder gif en minder stikstof. Dat kan alleen als de landbouw en de graanfabrikanten (preventief zaden impregneren met gif, om zo insecten en schimmels te weren) daar hun schouders onder zetten. De tijd van het ontkennen dat de afname van insecten, en daardoor de onvermijdelijke afname van vogels aan het gebruik van gif en de uitstoot van stikstof ligt, is achterhaald. Het moet haalbaar zijn om onze kwetsbare natuur te redden.

Er zullen offers gebracht moeten worden, door iedereen. Zowel de landbouw, industrie en ook de gewone burger. Laat onze natuur niet sterven, maar herstellen. Wij zijn dat ook verplicht aan onze kinderen en kleinkinderen.