dinsdag 29 september 2020

Mijn visuele natuurverhalen

Mijn naam is Jozef van der Heijden. Ik woon in de Brabantse Hulsel.
Ik fotografeer al sinds de 70er jaren. Ik begon met een kleinbeeld fotocamera en een Super 8 filmcamera met geluidsregistratie. Op de boerderij filmde ik Groenlingen en Kneuen die de jongen op hun nest verzorgde. Mijn interesse gaat naar de natuur in het algemeen. Van vogels tot paddenstoelen, mossen, korstmossen en  landschappen. Maar vogels fascineren mij wel het meest. Daarnaast ben lid van diverse natuurbescherming organisaties (zie de logo's hieronder).

Hoewel vogels mijn voorkeur genieten, ontdekte ik op 4 januari 2019 de Opkrullende strookzwam in de bossen van Hapert, officieel de 19e geregistreerde vondst in Nederland sinds 1855 en de eerste sinds 1985. Daarna vond ik nog twee plaatsen waar deze zeer zwam voor kwam. Op 16 oktober 2019 vond ik op Landgoed Wellenseind de eveneens zeer-zeldzame Kroontjesknotszwam. Verspreidingsatlas.nl meldt sinds 1990 slechts 105 vindplaatsen in Nederland.

Volg mij op: Facebook Twitter YouTube en met www.jozefvanderheijden-foto.nl. Mijn onderwerpen: Alles wat de natuur gedurende de vier jaargetijden biedt.

Knobbelzwanen in Reusel op het Beleven

Vanmiddag was ik even bij het Beleven in Reusel. Vaak zijn het de zelfde vogels die daar verblijven en foerageren. Vanmiddag waren er ook drie Knobbelzwanen te zien. Omdat het waterpijl vrij laag staat zitten ze automatisch ook ver van de kant.

Drie Knobbelzwanen verbleven vanmiddag in Reusel op het Beleven.

De knobbelzwaan (Cygnus olor) is een van de grote zwanen. De knobbelzwaan kan een spanwijdte van 2,40 meter bereiken en is daarmee de grootste watervogel. Hij is 140 tot 160 cm groot. Met zijn lange nek kan hij ver onder water reiken. Met 10 tot 12 kg behoort de knobbelzwaan tot de zwaarste vliegende dieren. Hij is ongeveer even groot als de wilde zwaan, maar veel groter dan de kleine zwaan. De knobbelzwaan is wit en heeft een oranjerode snavel. De kop en hals hebben een lichtgele schijn. De onbevederde huid aan de snavelwortel en om het oog, onder de voorhoofdsknobbel, is zwart. Die voorhoofdsknobbel is bij mannetjes heel opvallend. Ook de poten zijn zwart. De ruglijn is sterk gebogen. De hals wordt bijna altijd in een sierlijke S-vorm gehouden. Die hals heeft het grootste aantal van 26 halswervels van alle vogels. De kop wordt altijd iets omlaag gebogen. De snavel is relatief breed. Er is weinig maar duidelijke seksuele dimorfie (het mannetje en het vrouwtje zien er bijna hetzelfde uit). Het mannetje is groter, hij heeft ook een zwaardere nek. Zoals reeds gezegd heeft het mannetje een knobbel boven de snavel. In de lente zwelt die knobbel aan en de snavel wordt roder.


Een deel van de knobbelzwanen blijft in zachte winters in hun territorium. In de herfst en winter kunnen zich grote groepen vormen. Als het koud wordt, is er wel trek, naar bijvoorbeeld Frankrijk. Vogels uit het oosten komen in de winter naar Nederland. Aan het einde van voorjaar kunnen er groepen onvolwassen vogels te zien zijn die in mei-juni naar de ruigebieden trekken.

donderdag 24 september 2020

Indische Ganzen foerageert op het Beleven

Vanmorgen zaten er negen Indische Ganzen in Reusel op het Beleven. Geen alledaagse gast. Dit is een invasie exoot. De Indische gans kent zijn oorsprong in Centraal Azië, en broedt sinds 1986 in Nederland. Het gaat om nakomelingen van losgelaten of ontsnapte vogels.

De Indische gans eet voornamelijk vegetarisch, eet grassen, blaadjes en wortels van allerlei groen.

De Indische gans kent zijn oorsprong in Centraal-Azie (Oost-Afghanistan, Zuid-China, Tibet, Bhutan, Kazachstan, Kirgizie, Tadzjikistan, Oezbekistan, Mongolie en aangrenzend deel van de Russische federatie). In het najaar vliegt de gans om te overwinteren over de Himalaja naar de draslanden van Pakistan, Bangladesh, India van Assam en tot zuidelijk in Tamil Nadu en verder in Noord-Birma, Thailand en Vietnam.

Vanaf 1986 broeden er jaarlijks Indische Ganzen in ons land. De aantallen namen langzaam toe naar rond 100 paren tijdens de eeuwwisseling en nog wat meer daarna. Van een stormachtige toename, zoals bij verschillende andere ganzen, is geen sprake. Het gaat om nakomelingen van losgelaten of ontsnapte vogels, die veelal nog bij de oorspronkelijke locaties broeden. Voorbeelden zijn de omgeving van Nieuwkoop en enkele gebieden langs de Lek. Vaak nestelen verschillende paren op korte afstand van elkaar op eilanden of kribben. Het duurt overigens soms enkele jaren voordat lokaal aanwezige vogels tot broeden overgaan.


De meeste Indische Ganzen worden gezien in de omgeving van de broedplaatsen, waar ze zich veelal aansluiten bij andere ganzen. De Nederlandse vogels, die standvogel zijn, krijgen in het winterhalfjaar gezelschap van wat vogels uit aangrenzende landen. Lokale bestrijdingsacties zorgen soms voor een gevoelige terugval van de aantallen.

woensdag 23 september 2020

22 Lepelaars foerageren op het Beleven

Lepelaars foerageren in ondiep water. Op de Flaes en het Goorven in het zuidoosten van Landgoed de Utrecht zaten de afgelopen weken grote aantallen Lepelaars, groepen van 50 en zelfs 75 vogels. Ook het Beleven in Reusel is geliefd onder de Lepelaars. Een groep van ongeveer 22 doet dagelijks het Reuselse Beleven aan om daar naar voedsel te zoeken.

Enkele van de 22 Lepelaars die dagelijks op het beleven te zien zijn.

De Lepelaars die in ons land broeden, overwinteren langs de Atlantische kust tussen Frankrijk en Senegal. Dit houdt in dat sommige Lepelaars maar 2,000 km per jaar hoeven te vliegen van- en naar hun overwinteringsgebied, terwijl anderen meer dan 10,000 km afleggen. De Lepelaarpopulatie is hard gegroeid, dus misschien is de variatie het resultaat van een toenemend aantal Lepelaars dat in slechtere gebieden is gaan overwinteren omdat de goede gebieden vol zitten. De meeste Lepelaars trekken naar Mauritanië en de delta bij Senegal. Een andere deel blijft in Zuid-Frankrijk, Spanje en Portugal overwinteren. Slechts enkele vogels wagen het om de Nederlandse winter voor lief te nemen.


De Lepelaar vliegt gewoontegetrouw verder dan goed voor hem is
Lepelaars die in het zuiden van Europa overwinteren hebben een hogere overleving dan vogels die naar de ‘traditionele’ overwinteringsgebieden in West-Afrika vliegen. Toch blijven opvallend veel vogels ieder najaar helemaal naar Afrika vliegen. De lepelaars laten hiermee zien dat gewoontegetrouw gedrag een belangrijke beperking kan zijn bij de noodzakelijke aanpassing van vogels aan een veranderend klimaat of leefgebied. Onderzoek liet zien dat vogels die niet helemaal naar Afrika doorvlogen, een hogere overleving hadden. De vogels die in Frankrijk of op het Iberische schiereiland (Spanje en Portugal) bleven, hadden ruim tien procent meer kans om de volgende zomer te halen dan de Afrika-gangers. Op basis van de getallen zou men verwachten dat er in de loop der jaren steeds meer lepelaars in Europa blijven. De onderzoekers zagen inderdaad zo’n verschuiving, maar lang niet zo groot als gedacht.

Ecologische theorieën gaan ervan uit dat vogels gebieden met een lagere kwaliteit alleen gebruiken als de soortgenotendichtheid in de betere gebieden te hoog wordt. Op een relatief kleine schaal, bijvoorbeeld binnen een broedgebied, lijkt die theorie ook te kloppen. Maar onderzoek toont aan dat op de schaal van een complete trekroute andere mechanismen sterker zijn; hun gewoontegetrouwe trekgedrag ‘dwingt’ de vogels keuzes te maken die niet langer de beste voor ze zijn.

De lepelaars geven met hun trekgedrag belangrijke aanwijzingen naar bijvoorbeeld de gevolgen van snelle omgevingsveranderingen. Ook al ervaart een deel van de vogels dat het in een ander overwinteringsgebied beter toeven is, toch blijven grote groepen de oude gewoonten trouw. Dat ‘traditionele’ gedrag maakt het voor een populatie dus moeilijker om zich aan te passen aan veranderingen in het klimaat of in hun leefgebied, bijvoorbeeld ten gevolge van menselijke ingrepen.

De Blauwe reiger neemt een karper als ontbijt

Blauwe reigers staan er om bekend dat ze grote prooien in kunnen slikken. Ze eten niet alleen kikkers en muizen, maar ook ratten, vissen en zelfs konijnen. Vanmorgen fotografeerde ik op het Beleven in Reusel een blauwe reiger die een joekel van een Kroeskarper naar binnen aan het werken was. De Kroeskarper is een karper die meestal 25 cm groot wordt, lijkt op de Giebel. Echter de Giebel is grijs / zilver van kleur, terwijl de Kroeskarper een goudbronzen kleur heeft.

De Blauwe reiger heeft zijn maaltijd voor deze dag al gevangen. Nu nog even doorslikken.

De blauwe reiger (Ardea cinerea) is een vogel uit de reigerfamilie. De blauwe reiger is tevens de bekendste vertegenwoordiger van de familie in België en Nederland. De blauwe reiger eet o.a. vissen en amfibieën, waaronder kikkers. Vissen van 10 tot 16 cm lengte vormen de hoofdschotel van het menu van de blauwe reiger. Soms weet een Blauwe reiger een vis van een nog omvangrijkere grootte naar binnen te werken. Koikarper liefhebbers weten dat maar al te goed. Verder eet hij amfibieën (kikkers), reptielen (ringslangen), insecten, wormen, rivierkreeften, slakken, steurgarnalen, jonge vogels.

De blauwe reiger is een grote vogel met een lengte van ongeveer 90 tot 98 centimeter en kan een lichaamsgewicht bereiken van zo'n 2 kilogram. Er is geen seksuele dimorfie; het mannetje en het vrouwtje zien er ongeveer hetzelfde uit. Beide geslachten hebben een grijze bovenzijde, vleugels en staart en de vleugeleinden zijn zwart. De kop is wit met een zwarte band door het oog, die doorloopt in een kuif. Ook de hals heeft een witte kleur maar is voorzien van lengtestrepen aan de voorzijde. De buikzijde is grotendeels lichtgrijs van kleur. De kop draagt een gele, dolkvormige snavel, in de broedtijd kleurt deze soms roodachtig. De poten zijn lang en bruin van kleur en net als de snavel roodachtig. De reiger heeft een matig snelle vlucht met langzame, zware en diepe vleugelslagen, maar soms wordt ook een kleine zweefvlucht uitgevoerd. De nek is hierbij s-vormig ingetrokken en de poten steken achter het lichaam uit. De vleugels zijn rond, met zwarte uiteinden en een zwarte band over de achtervleugel.


De kroeskarper wordt maximaal 64 cm lang en weegt dan 3 kg, maar in kleine wateren blijven kroeskarpers meestal onder de 20 cm (gemiddeld 9 cm bij een gewicht van 20 gram). De kroeskarper is een hoogruggige zijdelings afgeplatte vis met afgeronde vinnen. De kroeskarper lijkt op de giebel. Hij heeft echter een bolle rugvin en 33 tot 36 schubben langs de zijlijn en een goudbronzen kleur. De lichaamsvorm van een kroeskarper is schijfvormig, die van de giebel meer spoelvormig. De kop met bovenstandige bek is opvallend afgerond in vergelijking die van de giebel. Kruisingen van karper en kroeskarper komen voor en kunnen voor verwarring zorgen. Deze hybriden hebben echter baarddraden. Jonge kroeskarpertjes zijn met zekerheid van karper en giebel te onderscheiden aan de zwarte vlek bij de basis van de staartvin (oogvlek).

maandag 21 september 2020

Morgen 22 september begint de herfst

Mij werd geleerd dat de herfst op 21 september begint. Dat is niet helemaal zo. De herfst begint op de dag dat de dag en de nacht even lang zijn. Morgen om 15:30 uur is het zo ver.


De astronomische herfst begint in Nederland en België op dinsdag 22 september. De herfst begint op het noordelijk halfrond (meestal) op 23 september en eindigt (meestal) op 21 december. Het begin van de herfst (22 of 23 september) is bepaald op basis van een afspraak. Astronomisch gezien begint de herfst als de dag en de nacht even lang zijn. Tijdens de herfst worden de dagen steeds korter. Deze herfstnachtevening vindt plaats op of rond 23 september op het noordelijk halfrond. De zon gaat dan door het herfstpunt en de dag en de nacht zijn ongeveer even lang. De herfst eindigt met de winterzonnewende (rond 21 december).


Aanvangstijdstippen van de astronomische herfst in Nederland:

2020 - 22 september 15:30 uur
2021 - 22 september 21:21 uur
2022 - 23 september 03:03 uur
2023 - 23 september 08:50 uur
2024 - 22 september 14:43 uur

Meteorologische herfst
Om praktische, maar ook klimatologische redenen begint de meteorologische herfst op 1 september en duurt tot 1 december. Voor meteorologen is het op deze manier makkelijker om seizoenen met elkaar te vergelijken. Ook komt het weerpatroon dat typisch is voor een seizoen (bijv. regen en wind in de herfst) beter overeen met de meteorologische indeling dan met de astronomische. Dat een nieuw weerkundig seizoen begint op de eerste dag van de maand, werd in 1780 door de Societas Meteorologica Palatina - een van de eerste internationale weerorganisaties - ingesteld.

bron: beleven.org

vrijdag 18 september 2020

Een nieuwsgierige Kleine bonte specht

De Kleine bonte specht is de kleinste specht in Nederland en België, niet groter dan een flinke mus. De kleine bonte specht maakt een vlieggat met een diameter van 3 tot 3,5 centimeter. Wat deed deze Kleine specht bij het vlieggat? In zijn zoektocht naar voedsel, larven en andere ongewervelde, komt iedere specht wel eens in de buurt van andere nestholtes. Deze holte is waarschijnlijk gemaakt door een Middelste bonte specht, die een holte maakt die een centimeter groter is.

De Kleine bonte specht maakt een holte die niet groter is dan 3 tot 3,5 cm. Deze lijkt groter.

De lichaamslengte van een volwassen Kleine bonte specht bedraagt 14 tot 16 centimeter en de vleugelspanwijdte 25 tot 27 centimeter. De Kleine bonte specht geeft meer de voorkeur aan kleinere dode takken en twijgen vlak bij de grond. Heeft een voorkeur voor natte gebieden maar is ook te vinden in boomgaarden en een parkachtige omgeving. Onopvallend vogeltje dat je maar zelden te zien krijgt. Slechts zijn zang - een valkachtig 'kikiki'- verraadt hem. Verder onderscheidt de kleine bonte specht zich van zijn grotere broer door het ontbreken van de witte schoudervlekken en heeft het mannetje de rode vlek voor op het hoofd zitten in plaats van achter in de nek.


De snavel en poten zijn grijs gekleurd en de iris kastanjebruin. Het verenkleed is aan de bovenzijde overwegend zwart en aan de onderzijde wit met vage donkere streepjes. De vleugels zijn aan de bovenzijde duidelijk gebandeerd met brede, witte banen. De zwarte onderrug heeft smallere witte banen. Ook de staart is wit gebandeerd. Net als de meeste spechten heeft de kleine bonte specht staartpennen met stugge veerschachten, die extra ondersteuning bieden tijdens het klimmen. De kop is overwegend wit op de zijkanten en de keel. Vanaf de snavel loopt een zwarte baardstreep door tot halverwege de nek. Het voorhoofd is wit gekleurd, vaak met een gele tint.

De kleine bonte specht is duidelijk seksueel dimorf wat betreft de koptekening. Alleen het mannetje heeft een rode kruin, aan de zijkanten gebiesd met een zwarte streep. Het vrouwtje heeft een geheel zwarte kruin en is dus geheel zwart-wit gekleurd. Het juveniele mannetje heeft een roze vlek op de voorste helft van de kroon, bij het vrouwtje is deze plek donker of grijs gevlekt.


Buiten het broedseizoen voedt de kleine bonte specht zich voornamelijk met insectenlarven, die hij vooral op dunne dode takken van levende bomen zoekt. Tijdens het broedseizoen jaagt hij ook op kleine ongewervelden die op de oppervlakte van bast en bladeren leven, zoals bladluizen. Dit vormt ook het hoofdvoedsel voor de nestlingen.

zaterdag 12 september 2020

Veel Grote visetende vogels op de Flaes

Omdat de Flaes (bijna) nooit droog valt zit er het gehele jaar rond voldoende vis voor grote visetende vogels zoals de Lepelaars, Reigers, Zwarte ooievaars en Aalscholvers. Het waterpijl is niet totaal afhankelijk van regenwater. Een deel van het water is kwelwater. Het gebied rond De Flaes en het Goor is nooit ontgonnen en kent dan ook nog een heel oorspronkelijk karakter.

Drie visetende soorten in een beeld gevangen. De Lepelaars, Zwarte ooievaars en de Aalscholvers.

In het algemeen ontstaat kwel door een ondergrondse waterstroom van een hoger gelegen gebied naar een lager gelegen gebied. Kwel kan zich afspelen over afstanden van enkele meters tot vele kilometers. Kwel heeft vaak een bijzondere waterkwaliteit. Vooral diepe kwelstromen die eeuwenlang door de bodem hebben gestroomd, zijn zuurstof- en voedselarm en vaak kalk- en ijzerhoudend. Dit leidt tot bijzondere flora. Een plant als waterviolier geldt als kwelindicator.

De Aalscholvers hebben geen talkklier en kunnen hun veren niet waterafstotend maken, dus moeten ze hun vleugels spreiden om op te drogen.

Ontstaan van natuurlijke kwel
De grondwaterstroming, het reliëf en de geomorfologische opbouw van een gebied bepalen of er kwel ontstaat. Op de hogere delen van een gebied zakt het (regen)water in de bodem. Een deel van dit water stroomt af als freatisch grondwater en komt zo direct in sloten en plassen terecht. De rest dringt door de slecht doorlatende laag heen en komt uiteindelijk in het eerste watervoerende pakket of dieper terecht.

Of het diepere grondwater aan de oppervlakte zal komen wordt bepaald door het verschil in stijghoogte tussen het freatische grondwater en dit diepere grondwater. De wet van de communicerende vaten zegt dat water door de zwaartekracht van het ene vat naar het andere stroomt tot de waterniveaus gelijk zijn. In een hellend gebied zal het water van het hoger gelegen (infiltratie) gebied naar het lager gelegen gebied gaan stromen. Water dat op hoger gelegen delen is geïnfiltreerd en door de slecht doorlatende laag is gepasseerd heeft een grotere stijghoogte. Hierdoor is er een drukverschil en treedt het diepe grondwater als kwel aan de oppervlakte.

donderdag 10 september 2020

Waterleiding Netersel - Casteren bijna klaar

Vanaf 17 augustus 2020 is de weg van Netersel naar Casteren afgesloten voor verkeer, uitgezonderd fietsverkeer. De reden; het aanleggen van een nieuwe traject waterleiding. Het einde van de werkzaamheden is in zicht. De leidingen zijn met horizontaal gestuurd boren gelegd en de trajectafsluiters, een brandkraanaansluiting en een aftakking naar het Het Bosch (Bladel) zijn geïnstalleerd. Als de druktest is geslaagd worden de leidingen richting Netersel en Casteren eind volgende week op de 600 mm dikke hoofdleiding aangesloten.

De waterleiding is voorzien van afsluiters, trajectafsluiters, en lektest aansluitingen.

Vanmorgen reed ik met de fiets langs de aanleg van de nieuwe waterpersleiding die sinds 17 augustus tussen Netersel en Casteren wordt aangelegd om een oude stalen leiding te vervangen. De trajectafsluiters, een brandkraan en een aftakking van de waterleiding zijn al geplaatst. Nu rest nog het afpersen van de leiding op lekdichtheid. Als die test positief uit pakt mogen de putten weer met zand worden gedicht. Eind volgende week wordt de nieuwe leiding aangesloten op de hoofdleiding die het water vanuit Vessem aanvoert.

Om een druk lektest uit te kunnen voeren zijn er tijdelijk afsluiters aangebracht.

Links; een brandkraan aansluiting, rechts; een traject-afsluitkraan, met een afsplitsing die water maar Het Bosch (Bladel) moet voeren.

Om de splitsing richting Het Bosch (Bladel) te kunnen aanleggen moest een betonplaat uit het fietspad worden gebroken.

De waterleiding wordt hier aangesloten op de hoofdleiding L9 - L35.

De PVC pijpen op de afsluiters dienen als schacht voor de sleutels waar de kraan mee bediend wordt.

De nieuwe waterleiding wordt aangesloten op de leiding die Netersel van van water voorziet. De roest in de oude stalen leiding zegt genoeg.

Het volgende deel van het vernieuwde van de waterleiding laat nog even op zich wachten. Naar verluid is men er nog niet uit waar het traject binnen de bebouwde kom komt te liggen. Enerzijds zou de weg helemaal open gebroken moeten worden, of er zouden bomen gerooid moeten worden. Dat laatste is en gevoelige optie. Gezonde bomen rooit men niet zo snel. Nu wordt bekeken of er voor de leiding op een of ander manier een traject gevonden kan worden die beide hindernissen kan omzeilen. Wordt vervolgd...