dinsdag 30 april 2019

De Bonte Vliegenvanger neemt en bad

Vanmorgen heb ik lang zitten wachten voordat ik vogels bij mijn vogelhut kreeg. Meestal komen de meesjes als eerste nadat ik vers voer heb gestrooid. Zelfs die bleven lang weg. Het is mij al meer opgevallen dat vogels niet zo actief zijn als het bewolkt is, en zeker niet als het regenachtig is. Als de zon schijnt zijn ze er als de kippen bij als ik voer heb gestrooid. Dat voer werd vanmorgen alleen door de Rode eekhoorn gebruikt. Een Zwartkop vrouwtje kwam baden, maar was daarna weer snel verdwenen. Even later kwam de Bonte vliegenvanger. Mijn dag kon niet meer kapot.

Bonte Vliegenvanger - man

De Bonte Vliegenvanger (Ficedula hypoleuca) dankt zijn naam omdat ze net als andere vliegenvangers, vliegjes vangen. Daarmee is het meteen duidelijk dat het insecteneters zijn. Vanaf een zitpost maken ze korte vluchten achter vliegende insecten aan, en vangen deze in volle vlucht.

Een uitgebreid bad. Alle parasieten en vuil moet uit de vacht.

De bonte vliegenvanger is een kleine zangvogel (± 13 centimeter, 9-15 gram) uit de familie van de vliegenvangers (Muscicapidae). Het is een van de vier soorten zwart-witte vliegenvangers die in het westers Palearctisch gebied voorkomt. De bonte vliegenvanger bouwt zijn nest meestal in holtes, bij voorkeur in eiken. Bij de bonte vliegenvanger is polygynie gebruikelijk, waarbij het mannetje niet in de onmiddellijke omgeving een tweede vrouwtje tracht te veroveren. Na de paringen gaat het mannetje terug naar het eerste vrouwtje en helpt met het voeden van de jongen.

De Bonte Vliegenvanger wordt vooral aangetroffen in half open loof- en gemengde bossen met een gevarieerde structuur. Het meest in het zuiden en oosten van Nederland. Ze eten insecten zoals vliegen, muggen, vlinders en libellen, maar ook oorwurmen en sprinkhanen. Vanaf een zitpost maken bonte vliegenvangers korte vluchten achter vliegende insecten aan, en vangen deze in volle vlucht.

Na het bad moeten de veren gladgestreken worden. Ook wordt er talg uit de stuitklier over de veertjes gestreken.

Veren zijn erg belangrijk voor vogels en hebben meerdere functies zoals vliegen, isolatie, camouflage of pronken en het afstoten van water. Vogels zijn er dan ook zuinig op en poetsen hun veren uitvoerig. Tijdens het poetsen worden stof, vuil en parasieten verwijderd. Vervolgens wordt het verenkleed ingevet of geolied, zodat de veren flexibel en waterafstotend blijven. Deze ‘wax’ is afkomstig van een klier bij de staart.

Rond de eeuwwisseling werd het aantal broedparen van de bonte vliegenvanger berekend op ongeveer 14.000 tot 18.000 paren. Doordat ze veel gebruik maken van nestkasten, was dat een tamelijk betrouwbare indruk van de populatie. In de laatste tien jaar zit de soort weer in de lift en namen de aantallen toe.

Altijd mooi om de Rode Eekhoorn te zien

Altijd weer mooi om de Rode Eekhoorn te zien in onze parktuin. Het is altijd afwachten wat je voor de lens krijgt als je in de fotohut post vat om wat foto's te maken van, het liefst bijzondere vogels. Vanmorgen BEGON anders, de Rode Eekhoorn. Sinds oktober 2016, toen ik de fotohut bouwden, heb ik de eekhoorn daar eg vaak keer gezien. Vanmorgen verscheen de eekhoorn twee keer om wat te eten en drinken bij de vogel-fotohut zat vanmorgen een eekhoorn.

De Rode eekhoorn of Gewone eekhoorn (Sciurus vulgaris) is van oorsprong de Europese eekhoorn

De gewone eekhoorn is de bekende roodachtige eekhoorn met de grote pluimstaart en pluimpjes aan de oren die regelmatig in een Nederlands bos te zien is. Een gewone eekhoorn bouwt meestal verscheidene nesten hoog in de bomen. Deze nesten worden gebouwd van takken, boombast, bladeren en mos. In de winter brengen eekhoorns het grootste deel van de dag en nacht in hun winternest door en komen ze slechts af en toe naar buiten om wat eten te halen. In de herfst hebben ze daarvoor op een groot aantal plekken voedselvoorraden verstopt. In de zomer gebruiken ze hun nesten ook intensief. Bijvoorbeeld om jongen te krijgen en te schuilen voor regen of warmte.

De eekhoorn, ook Rode eekhoorn of Gewone eekhoorn (Sciurus vulgaris) genaamd is de in Europa meest voorkomende eekhoorn. De eekhoorn is 20 tot 28 centimeter lang en 250 tot 350 gram zwaar. De borstelige pluimstaart is van 15 tot 20 centimeter lang. Het is een omnivoor, die tot de knaagdieren behoort.


De eekhoorn voedt zich met name met plantaardig materiaal als noten en zaden van sparren en pijnbomen. Verder eten ze knoppen, paddenstoelen, stukken boomschors, en soms dierlijk materiaal, als insecten, eieren en zelfs jonge vogels. Ook eten ze aarde om mineralen binnen te krijgen. De eekhoorn eet dagelijks vijf procent van zijn lichaamsgewicht aan voedsel. Net als veel andere knaagdieren leggen eekhoorns wintervoorraden aan. De eekhoorn is een dagdier, dat zich meestal vlak na zonsopgang al laat zien. Ze zijn voornamelijk na zonsopgang en vlak voor zonsondergang actief.

maandag 29 april 2019

Bloemenpracht in de tuinpark bij fotohut

De parktuin in Netersel bij mijn fotohut is getooid in bloemenpracht. Bloemen zoals; Tuinjudaspenning, Bosvergeet-mij-nietje, Pontische rododendron, de zeer zeldzame Bosvergeet-mij-nietje, Spaanse hyacint, Daslook, Kleine maagdenpalm, de zeldzame Kruisbladige wolfsmelk en Blauweregen tooien de bodembegroeiing.

Tuinjudaspenning - Lunaria annua

Het zaad de Tuinjudaspenning kiemt vrij laat in de zomer en vormt in de herfst kiemplanten met grote bladen, waaruit meestal het volgend jaar de bloemdragende stengels ontstaan. De stengeis en bladen zijn zwak ruw behaard door uitgespreide haren. De stengel is rechtopstaand, meest vertakt. De bladen zijn groot, met hartvormigen voet, ongelijk getand, de onderste lang-, de hoogere korter gesteeld, de bovenste bijna zittend.

De bloemen staan in eindelingsche en bladokselstandige trossen, zijn purperkleurig en vrij groot. De kelkbladen zijn opgericht, purperbruin. De hauwtjes zijn langgesteeld, zeer groot, eirond, aan weerskanten afgerond, afgeplat, boven de inhechting van de kelk gesteeld, aan uitstaande stelen hangend. De kleppen zijn vlak, zonder nerven. De stijl is draadvormig, 6-8 mm lang. De zaden zijn niet talrijk, groot, niervormig, samengedrukt, gevleugeld en staan in 2 rijen. 3-10 dm. mei, juni.

Bosvergeet-mij-nietje - Myosotis sylvatica (rode lijst: Zeer zeldzaam)

Het Bosvergeet-mij-nietje heeft een schuinen, korte wortelstok, waaruit verscheiden rechtopstaande, stijve, eenigszins dikke en kantige, al of niet vertakte, dicht ruw behaarde stengels komen. De bladen zijn langwerpig of langwerpig- lancetvormig, min of meer spits, ruw behaard, de onderste zijn spatelvormig, gesteeld en vormen een roset, de bovenste zijn zittend met bredere voet.

De bloemen zijn vrij groot (4-8 mm), iets welriekend en staan in onbebladerde, ten slotte lange en losse, ongevorkte bijschermen. De kelk is klein met een buis, die voor het meerendeel gekromde haren draagt. De bloemkroon is hemelsblauw, zelden wit, met een buis, die even lang is als de kelk en een vlakken zoom, die langer dan de buis is. De vruchtstelen zijn dun, uitgespreid, de onderste zijn 2 a 3 maal zoolang als de kelk, deze heeft na de vruchttoestand opgerichte, niet samenneigende slippen. De vrucht is glad, rondachtig-eirond, iets toegespitst, naar buiten bol. Tweejarig en overblijvend. 1,5-4,5 dm. Mei, Juni.

Deze soort gelijkt soms veel op M. palustris, doch is er gemakkelijk door de beharing, de dieper gedeelden kelk, de in een roset staande wortelbladen en de vroegeren bloeitijd van te onderscheiden. Van M. intermedia, waarmee zij ook verward wordt, onderscheidt zij zich door de grootere bloemen met vlakken zoom.

Pontische rododendron - Rhododendron ponticum

De pontische rododendron is een plant uit de heidefamilie (Ericaceae) die van nature voorkomt in zuidelijk Europa en Klein-Azië, maar veel aangeplant wordt vanwege de mooie bloemen. De struik komt in Nederland verwilderd voor op buitenplaatsen en in bossen, vooral op zandgrond. Als tuinplant is de pontische rododendron geschikt voor de vorming van een heg. De struik plant zich voort door zaden en vegetatief door beworteling van de grond rakende takken. Het is een groenblijvende struik met een hoogte van 4 m of meer. De plant heeft een bruinachtig grijze schors, die ingedeeld is in rechthoekige patronen. De elliptische tot omgekeerd lancetvormige bladeren lijken op die van de laurier en worden maximaal 25 cm lang. Ze zijn leerachtig, de bovenzijde is glanzend en donkergroen, de onderzijde is lichter. Het blad is giftig voor vee.

Spaanse hyacint - Hyacinthoides hispanica

De Spaanse hyacint is inheems in Spanje en Portugal, maar wordt sporadisch als verwilderde tuinplant in Nederland en België aangetroffen. De soort wordt vrijwel niet meer toegepast als tuinplant waardoor verwilderde waarnemingen van deze soort zeldzaam zijn. Waarnemingen van Hyacinthus x massartiana daarentegen, de kruising met Wilde hyacint ( Hyacinthus non-scripta ), is een zeer populaire tuinplant en verwildert zeer gemakkelijk. De toenemende verspreiding van de kruising, bedreigt de wilde populaties van Wilde hyacint in West-Belgie. De nog zuivere exemplaren van Wilde hyacint en Spaanse hyacint in Nederland en de rest van Belgie zijn waarschijnlijk grotendeels opgenomen in de bastaardpopulaties, waardoor deze bijna niet meer te vinden zijn. Spaanse hyacint bloeit van mei tot juni, wordt ongeveer 50 cm hoog en staat in schaduwrijke bossen.

Daslook - Allium ursinum

Daslook komt in geheel Europa voor in bossen, op beschaduwde, grazige plaatsen en aan slootkanten en is bij ons vrij zeldzaam. Deze plant is onbehaard en riekt sterk naar uien. De stengel is rechtopstaand, meestal driekantig, zeer sappig. De 2 bladen zijn wortelstandig, vlak, omhullen de stengel niet, zijn elliptisch-lancetvormig, 2-5 cm breed, spits, vrij plotseling in een ongeveer even lange steel versmald, omgekeerd (de donkergroene onderzijde naar boven gekeerd, de blekere bovenzijde naar onderen staand), korter dan de stengel, in de knoptoestand opgerold.

De bloemschede is 2-kleppig, spoedig afvallend, even lang als of langer dan de bloemstelen. De bloeiwijze draagt geen bolletjes, is schermvormig, vlak, rijkbloemig. De bloemstelen zijn tot 2 cm lang. De bloemen zijn vrij groot, de stelen ruim 2 maal zo lang als de bloemen. Het bloemdek is sneeuwwit, stervormig uitgespreid. De bloemdekbladen zijn lijn-lancetvormig, tot 1 cm lang, spits of iets stomp, afvallend. De meeldraden zijn in het bloemdek ingesloten met priemvormige helmdraden, die aan de voet van het bloemdek zijn ingeplant. Het vruchtbeginsel is platgedrukt bolrond met een draadvormige stijl en een stompe stempel. De vrucht heeft 3 diepe groeven. 1-3 dm. mei, begin juni.

Kleine maagdenpalm - Vinca minor

De Kleine maagdenpalm heeft liggende, onbehaarde, vertakte stengels en weinig bebladerde, rechtopstaande, 10-20 cm lange, bloemdragende takken. De bladen zijn lederachtig, glanzend, langwerpig tot lancetvormig, meest aan weerszijden spits, kaal, aan de top van de bladsteel aan weerszijden van een klier voorzien.

De bloemen zijn alleenstaand op stelen, die korter of langer zijn dan de bladen en de bloemkroon. De kelkslippen zijn lancetvormig, stomp, kaal, 3-4 maal zo kort als de bloemkroonbuis. De bloemkroon is meest lichtblauw, zelden wit, 5-slippig, ongeveer 3 cm breed, de slippen zijn meest scheef afgeknot, stomp. De vruchtjes staan uiteen, zijn toegespitst en lichtbruin, Overblijvend. 1,5-3 dm. april, mei.

Kruisbladige wolfsmelk - Euphorbia lathyris (rode lijst: Zeldzaam)

Kruisbladige wolfsmelk is kaal en donkergroen. Uit de witte penwortel komt een rechtopstaande, dikke, bovenvertakte stengel, die in het eerste jaar dichtbebladerd is, maar in het 2e beneden geen bladen heeft. Vooral in de jeugd staan de bladen kruiselings. De bladen zijn langwerpig-lancetvormig, stomp, stekelpuntig, vanonder bleker, zittend, iets perkamentachtig. De bovenste hebben een hartvormige voet.

Het scherm is zeer groot, 2-4-stralig, de stralen eerst gaffelvormig, daarna meer als een schroef vertakt. De omwindselbladen hebben dezelfde vorm als de stengelbladen, die van de omwindseltjes zijn langwerpig-lancetvormig of langwerpig-eirond, spits, stekelpuntig, met hartvormige voet. De klieren zijn kort en stomp, 2-hoornig, lichtgeel. De doosvruchten zijn zeer groot (2 cm), de vruchtjes aan de rugzijde afgerond, in gedroogde staat zwakrimpelig. De zaden (5 mm) zijn netvormig-gerimpeld, lichtbruin, iets gemarmerd.

Blauweregen - Wisteria sinensis (Sims) Sweet

Blauweregen is een geslacht van een tiental houtige slingerplanten die van oorsprong voorkomen in de Verenigde Staten, China, Korea en Japan. Ze kunnen zowel linkswindend (bijvoorbeeld de Chinese blauweregen) als rechtswindend zijn (bijvoorbeeld de Japanse blauweregen). Deze planten kunnen tot 20 meter hoog klimmen en tot 10 meter breed worden en worden vrij vaak als sierplant aangeplant.

vrijdag 26 april 2019

Pimpelmees, Vink, Groenling en Heggenmus

De Pimpelmees is, op de Zwarte mees na, de kleinste van de mezen en wordt misschien wel het schattigst gevonden. Maar de vink, Groenling en de Heggenmus zijn even zo mooi. De Groenling werd verstoord door een Eekhoorn die zijn zaadje mee kwam pikken.

Deze Pimpelmees zit in zijn broed, gezien zijn broedplek op de buik.

De pimpelmees (Cyanistes caeruleus) is een mees die in vrijwel heel Europa regelmatig voorkomt. Pimpelmezen zijn veel te zien in bossen, tuinen en struwelen. Het zijn slimme, behendige vogels die graag afkomen op in de tuin opgehangen voedsel. Volwassen pimpelmezen zijn circa 12 centimeter groot met een spanwijdte van 17-20 centimeter en een gewicht van ongeveer 12-15 gram, dit is kleiner dan de koolmees.

Dit is nog een jong vrouwtje, uit een late broed van vorig jaar.

De Vink (Fringilla coelebs), ook wel boekvink, botvink of charlotte genoemd, is een zangvogel. In de lage landen is hij de bekendste en meest frequent voorkomende vinkachtige. Zijn zang, waarvan de laatste tonen de "vinkenslag" wordt genoemd, kent vele dialecten. Vinken leven in bossen, boomrijke tuinen en parken. Ze eten namelijk zaden en zachte plantendelen, zoals bladknoppen. Toch is het vooral hoog Nederland waar vinken het meeste voorkomen. Aan het einde van hun zang van de vink laten vinken vaak de bekende 'vinkenslag' horen.

Deze Groenling werd verstoord door een Eekhoorn. Eerst week hij uit naar een tak net boven de voerplaats, maar verkoos een veiligere plek.

De groenling, ook vaak groenvink genoemd (Chloris chloris synoniem:Carduelis chloris) is een zangvogel van de familie der vinkachtigen (Fringillidae). De vogel eet vooral zaden. Een groenling is ongeveer 15 centimeter lang. Het mannetje is olijfgroen van kleur, vooral op de stuit. De rug heeft een bruine tint en de onderzijde is meer geelachtig. De randen van de vleugel en de meeste staartpennen zijn aan de basis helder geel. De dikke snavel is bijna wit en de poten zijn vleeskleurig. Het wijfje is minder intensief van kleur, zij is meer grijsgroen en haar geel in de veren is veel valer. Juveniel grijzer dan vrouwtje en meer gestreept.

Deze paal is een geliefde uitkijkpost voor veel vogels in de grote tuin.

De heggenmus heeft een onopvallend bruingrijs verenkleed. De tekening van de rug lijkt veel op die van een huismus, waarbij de heggenmus vooral te herkennen is aan de blauwgrijze kop en borst en de spitse snavel. Is vaak op de grond te vinden, waar heggenmussen als een muis op zoek zijn naar voedsel. In het voorjaar zingt het mannetje al vroeg vanaf de top van een struik of boom.

woensdag 24 april 2019

Luid zingende Roodborst en Heggenmus

Vogels zingen voornamelijk om hun territorium te verdedigen. Zo van, "Hier ben ik de baas, blijk hier weg". De andere reden is om vrouwtjes te lokken, wat zeker tijdens de paartijd het hoofddoel is. En wij mensen?, wij vinden de zang mooi.

De Roodborst heeft een mooi podium gevonden om zijn lied te verkondigden.

Roodborsten hechten aan een eigen territorium, ook in de winter. Zelfs man en vrouw roodborst zitten elkaar in de weg en zijn alleen in het broedseizoen bij elkaar. Hun oranje borst gebruiken ze om elkaar te imponeren. De jongen mogen geen agressie oproepen, vandaar dat die pas later in het jaar van gespikkeld bruin naar het echte oranje-rood van de roodborst kleuren. Om aan soortgenoten duidelijk te maken dat ze niet in hun gebied mogen komen, zingen de mannetjes uit volle borst om zo hun territorium af te bakenen.

Roodborsten komen overal voor met uitzondering van landschappen zonder bomen. Ze zijn vooral aanwezig in niet al te jonge bossen, tuinen, parken en kleinschalige landschappen. In de winter ook in stadstuinen. Als er veel struiken en kruiden zijn, dan geeft dat de hoogste dichtheden roodborsten.

Ook de Heggenmus gebruikt het zelfde podium om zijn lied uit te dragen.

De heggenmus zingt een haastig, helder, kwetterend lied. Een lied dat een seizoen inluidt vol seks, affaires, vrijages en avontuurtjes. Het gezang kun je al heel vroeg in het jaar horen, soms al rond de jaarwisseling. Dit doet hij vanaf een hoge zangpost, het topje van een struik of boom of van een dak. Hij is dan ook een van de eerste zangers, samen met de mezen en de boomkruiper.

De heggenmus is een talrijke maar onopvallende zangvogel. Hij verlaat niet graag de directe omgeving van het struikgewas. Een paartje heggenmus tolereert vaak een tweede mannetje (het bètamannetje) in hun territorium. Het eerste mannetje (het alfamannetje) probeert te verhinderen dat andere mannetjes met ‘zijn’ vrouwtje gaat paren maar het vrouwtje slaagt er regelmatig toch in om zich door het tweede mannetje te laten bevruchten. Voor het vrouwtje heeft dit twee voordelen. Een ongepaard bètamannetje zou anders het legsel van het paartje kunnen vernietigen. Door ook met het bètamannetje te paren, kan ze deze dreiging afwenden. Bovendien neemt het tweede mannetje een deel van de broedzorg van de jongen op zich. Zowel mannetjes als vrouwtjes kunnen er meerdere partners op nahouden.

Heggenmussen lijken wel geobsedeerd door seks. Ze paren erg vaak: één tot twee keer per uur, gedurende een tiental dagen. Doorgaans zijn die paringen erg kort en lijkt het er op alsof het mannetje gewoon over het vrouwtje springt. Het mannetje pikt in de cloaca van het vrouwtje waarop het een zaaddruppeltje produceert. Dit zorgt er voor dat het zaad van een voorganger uit de cloaca wordt verwijderd, zodat het zaad van het nieuwe mannetje meer kans heeft.

dinsdag 23 april 2019

De Zwartkop koppel in tuin bij fotohut

Maandag 1 april 2019 zag ik de Zwartkop man bij mijn fotohut. Twee weken later, op zondag 14 april 2019 verscheen het vrouwtje voor de fotohut. Gisteren zag ik beide samen op het zelfde moment bij de fotohut, een koppel dus.

De Zwartkop man. Man met zijn zwarte petje, ...

De zwartkop (Sylvia atricapilla) is een zangvogel uit de familie van zangers (Sylviidae). Het verenkleed van deze trekvogel is aan de bovenzijde grijsbruin en aan de onderzijde vuilwit. Het mannetje heeft een zwarte kruin, terwijl het vrouwtje een roodbruine heeft. ot die familiegroep van de Sylviidae behoren ook de; Kleine zwartkop, Orpheusgrasmus, Baardgrasmus, Braamsluiper, Grasmus, Brilgrasmus, Provençaalse grasmus, Rüppells grasmus, Sperwergrasmus en de Tuinfluiter.

De zwartkop is van kop tot staart ongeveer net zo groot als een koolmees, alleen heeft de zwartkop een kortere staart als de koolmees en heeft de zwartkop een iets zwaarder lijf. De zwartkop dankt zijn naam aan de zwarte pet op zijn kop, die alleen het mannetje draagt. Het vrouwtje heeft een roestbruine pet. Bij het mannetje is de rest van het verenkleed grijs, bij het vrouwtje grijsbruin. Een jong mannetje heeft in de winter een zwarte pet, met bruine vlekken. De zwartkop vliegt weinig en laat zich vooral horen.

Zwartkop vrouw. Het vrouwtje heeft een bruin petje.

De zwartkop broedt in bossen en halfopen landschappen met bomen en struiken. Leeft bij voorkeur in loof- en gemengde bossen met een rijke ondergroei van vooral bramen. Komt ook voor in parken, tuinen en andere halfopen landschappen met bomen en struiken. Zwartkoppen trekken grotendeels weg vanaf half augustus tot half oktober naar het zuidwesten, samen met Duitse en Scandinavische broedvogels. Ze overwinteren in Zuid-Engeland of het westelijk deel van het Middellandse Zeegebied: voornamelijk Spanje, Marokko en Algerije. Zwartkoppen keren in begin april terug in Nederland en steeds vaker al in maart.