zaterdag 23 juni 2018

Het parende Wollige distelsnuitkever

Een andere waarneming was een parend koppeltje Wollige distelsnuitkevers (Larinus planus). Het snuitkevergenus Larinus in Nederland, met Larinus turbinatus als nieuwe soort voor de fauna (Coleoptera: Curculionidae).

Het Wollige distelsnuitkever paartje in copula (paring) op bloemhoofdje van akkerdistel. Let op het geslachtsorgaan (aedeagus) van het mannetje.

Met enige regelmaat worden nieuwe kevers voor de Nederlandse fauna gerapporteerd. Zo ook de Larinus planus. Deze soort werd in 2004 voor het eerst in ons land aangetroffen en is sindsdien op diverse locaties waargenomen en verzameld. Het is verleidelijk om de komst van weer een nieuwe soort te verklaren op grond van het veranderende klimaat. Maar gezien de Europese verspreiding lijkt het in dit geval geen aannemelijke verklaring.


Tijdens de paring zitten kevers vaak op elkaar waarbij de achterlijfspunten aan elkaar verbonden zijn. Het mannetje zit altijd bovenop. Bij veel kevers is het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes ook te zien aan hun lichaamsgrootte; vrouwtjes zijn vrijwel altijd groter dan mannetjes. Vrouwtjes hebben een groter lichaam nodig omdat ze eitjes produceren. Het geslachtsorgaan van het mannetje, de aedeagus bestaat vaak uit een basaal deel, een mediane lob (penis), waarin een intrekbaar deel kan zitten. Bij het vrouwtje bevindt het voortplantingsorgaan zich ook in het achterlijf. Vaak steken uit het achterlijf twee eenvoudig gebouwde uitsteeksels: de gonocoxae. Deze bevatten soms ook belangrijke kenmerken en zijn behalve aan het uiteinde zwak of niet gechitiniseerd maar vliezig.

De poten van kevers zijn voorzien van kleine stekeltjes, de sporen, deze spelen vaak een rol bij de paring. Het mannetje kan zich hierdoor beter vastklemmen aan een vrouwtje tijdens de paring. De laatste achterlijfssegmenten dragen zowel de uitscheidingsorganen als de voortplantingsorganen. De voortplantingsorganen van kevers verschillen per soort. De paringsorganen van de mannetjes zijn altijd voorzien van een chitinelaag. De mannetjes hebben vaak een complexe bouw van het geslachtsorgaan, met diverse stekeltjes en andere uitsteeksels. De geslachtsorganen zijn te beschouwen als een soort 'sleutel', die precies in de genitaalopening van een vrouwtje van dezelfde soort passen. Paren met een exemplaar van een andere soort is hierdoor vrijwel onmogelijk. Als gevolg hiervan zijn de geslachtsorganen per keversoort verschillend. Veel verwante keversoorten lijken zo sterk op elkaar dat ze alleen op basis van de kenmerken van de geslachtsorganen zijn te determineren. Aan de achterlijfspunt zijn bij kevers geen lange uitsteeksels zichtbaar. Bij andere insecten draagt het achterlijf vaak zogenaamde cerci, die zowel puntig, draadvormig als tangachtig kunnen zijn. Bij kevers komen dergelijke lange uitsteeksels echter nooit voor.