vrijdag 4 juni 2021

Libellen en Juffers langs de Groote Beerze

De laatste dagen ben ik tussen Netersel en Casteren bezig geweest met maken van video-opnames langs de Groote Beerze. Mijn aandacht ging uit naar de Libellen en Juffers. De Groote Beerze is een beek die door de Brabantse Kempen stroomt. Deze libellen en juffers vond ik in de loop van deze week.


De Bruine korenbout (de bruine is het vrouwtje, met het blauwe achterlijf het mannetje).

De bruine korenbout is een vrij breed gebouwde libel, met een duidelijke donkere vlek op de basis van de achtervleugels en een zwart streepje op de basis van de voorvleugels. De aders in de donkere vlekken zijn opvallend oranje. De uiterste toppen van de vleugels hebben een vaag maar kenmerkend donker vlekje, vooral duidelijk bij de vrouwtjes. Bij de mannetjes is na het uitsluipen het achterlijf oranje, met een zwarte rugstreep die naar achter toe breder wordt. Uitgekleurde mannetjes zien er echter heel anders uit: alle oranje delen van kop, borststuk en achterlijf worden zwart en het achterlijf krijgt daar overheen een lichte blauwe berijping. De punt van het achterlijf blijft donker. De ogen verkleuren van bruin bij jonge mannetjes naar blauwgrijs bij oudere mannetjes. De donkere vleugeltopjes zijn bij uitgekleurde mannetjes soms niet zichtbaar.

Mannetjes die nog niet erg oud zijn (maar al wel blauw berijpt), hebben nog opvallende oranje voorste vleugeladers, waardoor het hele dier een zeer kleurrijke indruk maakt. Vrouwtjes zijn gekleurd als jonge mannetjes: grotendeels oranje met een wigvormige zwarte streep op de rug van het achterlijf. Oude vrouwtjes verkleuren naar donkerbruin en de ogen worden grijzig. Heel soms komen vrouwtjes met blauwe berijping voor, die sterk op uitgekleurde mannetjes lijken. De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 42 en 45 millimeter.


De Glassnijder en de Metaalglanslibel (mannen)

De glassnijder (Brachytron pratense) is een kleine, vroeg vliegende glazenmaker die vrij algemeen voorkomt. De glassnijder is een kleine glazenmaker met mozaïekpatroon op het achterlijf. De mannetjes zijn overwegend blauw met zwart gekleurd en de vrouwtjes geel met zwart. De borststukzijde is geelgroen met twee vrij brede zwarte naadstrepen. Het achterlijf en vooral het borststuk zijn opvallend donzig behaard (niet zichtbaar in de vlucht). De vorm van de gekleurde vlekjes op het achterlijf is smal en lang, anders dan bij andere glazenmakers. De pterostigma’s zijn lang en zeer smal. Het mannetje heeft blauwe vlekken op het achterlijf en blauwe ogen. De geelgroene schouderstrepen zijn lang en smal. Segment 3 is niet ingesnoerd, zoals bij mannetjes van andere glazenmakers. Het vrouwtje heeft gele vlekken op het achterlijf en bruine ogen. De schouderstrepen zijn gereduceerd tot vlekjes. De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 54 en 63 millimeter, de spanwijdte is 70–80 mm.

De metaalglanslibel is de groenste en meest glimmende glanslibel. Het borststuk is metaalgroen met een gouden glans. De ogen zijn eerst dofbruin, later felgroen glimmend. Het achterlijf is metaalgroen glanzend en lijkt onder bepaalde lichtomstandigheden soms staalblauw. Het voorhoofd heeft een gele tekening. Het mannetje heeft een sterke insnoering in het achterlijf ter hoogte van segment 3, met het breedste punt ter hoogte van segment 6 en 7. Het vrouwtje is dik gebouwd, het achterlijf is niet ingesnoerd, met een ronde gele vlek aan beide zijden van achterlijfssegment 3. Het vrouwtje heeft een opvallende, rechtafstaande legschede aan de onderzijde van de achterlijfspunt. De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 50 en 55 millimeter.


Het Vuurjuffer mannetje en het Weidebeekjuffer vrouwtje die haar vers gevangen prooi opeet.

De vuurjuffer is, met een lengte tot 36 mm, een grote juffer. Het abdomen van beide geslachten van de vuurjuffer (imago) is opvallend rood, maar bij de mannetjes hebben enkel de laatste segmenten donkere banden, bij de vrouwjes zijn alle segmenten zwart getekend. Het borststuk is donker met een rode of (bij de vrouwtjes) donkergele schouderstreep. De poten zijn zwart. De vuurjuffer is een weinig eisende soort wat het voortplantingsbiotoop betreft. Ze is tevreden met stilstaand of licht stromend water, zoals beken, poelen, (tuin)vijvers, laagveengebieden, ze is ook niet veeleisend voor wat betreft de waterplanten waarop ze haar eieren legt.

De weidebeekjuffer is een 45 à 48 mm grote juffer uit de familie van de beekjuffers (Calopterygidae), die vrij algemeen voorkomt bij stromend water van redelijke kwaliteit. De weidebeekjuffer vliegt van mei tot september, bij voorkeur bij langzaam stromende beken, maar ook bij rivieren en kanalen. Door de vlinderachtige vlucht vormen ze een opvallende verschijning. Mannetjes hebben een blauw metaalglanzend lichaam met een grote zwarte vlek in vleugels (van knoop tot vlak onder top). Vleugeladers met blauwe glans. Geen pterostigma's. De onderkant van de achterlijfspunt is vuilwit gekleurd. Vrouwtjes: groen metaalglanzend lichaam. Vleugels egaal van kleur, groen tot groenbruin getint. Wit pterostigma, waarin vleugeladers doorlopen ('pseudopterostigma').