dinsdag 10 november 2020

Witte tandzwam, IJsvingertje en Geweizwam

Vandaag enkele zwammen die ik vond tijdens een wandeling in de buurt van het Laarven in Eersel, nabij de parkeerplaats van de Cartierheide aan de Postelseweg van Eersel naar het Belgische Postel. Ik zag de Witte tandzwam, het Ijsvingertje en een paar Geweizwammetjes.

De Witte tandzwam op een stuk van een dode tak, waar een stuk van afgebroken en op de grond gevallen is.

Witte tandzwam (Schizopora paradoxa) is een schimmel uit de familie van de Schizoporaceae. De soort is een saprofyt en groeit voornamelijk op dood loofhout (stammen en stronken van eik, berk, els en beuk), maar soms ook op naaldhout en strooisel. Hij komt algemeen voor in Nederland en België en kan het hele jaar door worden waargenomen. De soort was al in 1794 beschreven, maar werd in 1967 na vele omzwervingen door de Nederlanse botanicus en mycoloog Marinus Anton Donk tot het geslacht Schizopora ingedeeld.

Deze Witte tandzwam foto's zijn gemaakt van de tak die van de boom afgevallen is.

Witte tandzwam heeft een korstvormig hoedloos vruchtlichaam. De buisjes zijn tot 4 mm lang (en meestal korter aan de rand). De kleur is crèmewit tot bleekgeel en (bijna) niet verkleurend na kneuzing. De poriën hebben een lengte van 1 tot 3 mm en zijn wisselend van vorm (afgerond, hoekig tot langwerpig doolhofachtig). Verse poriën zijn witachtig tot crèmegeel of crèmegrijs, oude zijn okergeel of groen gekleurd door algen. De rand is fijnvezelig en de sporeekleur is wit.

Het Gewoon ijsvingertje groeit bijna aan de onderkant van een een boomstam die vlak op de grond ligt.

Gewoon ijsvingertje, ook wel IJspegeltje (Ceratiomyxa fruticulosa) is een slijmzwam uit de familie Ceratiomyxidae. Het gewoon ijsvingertje bestaat uit dicht opeenstaande verzameling van kleine groepjes van tot 10 cm doorsnee vormende, 1 mm hoge, priem- tot knotsvormige, soms vertakte, ijsachtig wit tot roze, lichtblauw of gelig-beige zuiltjes. Ze zuiltjes zijn waterig en doorschijnend. De soort is wereldwijd verspreid en komt vaak voor op dood hout van loofbomen bij voorkeur op donkere en vochtige plekken. In Nederland heeft zij de status algemeen voorkomend.

Ceratiomyxa wordt vaak aangetroffen op rottend hout. Grote boomstammen en stronken worden genoemd als ideale substraten voor groei, hoewel kleinere kolonies ook een boomtak kunnen vinden.

Deze Geweizwammetjes groeien op een oude boomstronk die bijna geheel met mos is begroeid.

De geweizwam (Xylaria hypoxylon) is een voorbeeld van de zakjeszwammen, dat grillige vormen aan kan nemen. De geweizwam is een kleine, knotsvormige of plat cilindrische zwam tot 6 cm hoog. Aan de bovenkant komen vaak vertakkingen voor, waardoor de gelijkenis met een gewei ontstaat. In hun jeugd zijn ze bedekt met een wit poeder. Dit zijn de sporen die in de ongeslachtelijke fase worden voortgebracht (conidiën). Later in het najaar gaan ze over tot de geslachtelijke fase.

De kleur verandert dan naar zwart en de sporen zitten niet meer aan de buitenkant. In het tweede jaar zijn de vruchtlichamen geheel zwart en onvertakt en ontstaan er sporen die in zakjes langs geslachtelijke weg worden gevormd. De Geweizwam komt zeer algemeen voor gedurende het hele jaar. De zwam is te vinden op dode takken en stronken, vrijwel uitsluitend van loofbomen.