woensdag 5 juni 2019

Bonte vliegenvanger kwam even badderen

De Bonte vliegenvanger kwam vanmorgen in Netersel weer even badderen bij mijn fotohut. Gisterenavond en vannacht was er veel regen gevallen. De regenmeter gaf 18 mm neerslag aan. Door de grote hoeveelheid neerslag was er aarde de vijver ingespoeld. Ik had gisteren de vijver nog leeggepompt en weer met helder schoon water gevuld. Vanmorgen was daar niets meer van te zien, dus heb ik de vijver weer leeggepompt en er weer vers en schoon water in laten stromen. Gelukkig heb ik 2500 liter regenwater in de regentonnen. Even later kwam ook het vrouwtje van de Zwartkop kort baden.

De Bonte vliegenvanger met zijn pootjes in het water.

De Bonte Vliegenvanger (Ficedula hypoleuca) dankt zijn naam omdat ze net als andere vliegenvangers, vliegjes vangen. Daarmee is het meteen duidelijk dat het insecteneters zijn. Vanaf een zitpost maken ze korte vluchten achter vliegende insecten aan, en vangen deze in volle vlucht. De bonte vliegenvanger is een kleine zangvogel (± 13 centimeter, 9-15 gram) uit de familie van de vliegenvangers (Muscicapidae). Het is een van de vier soorten zwart-witte vliegenvangers die in het westers Palearctisch gebied voorkomt. De bonte vliegenvanger bouwt zijn nest meestal in holtes, bij voorkeur in eiken. Bij de bonte vliegenvanger is polygynie gebruikelijk, waarbij het mannetje niet in de onmiddellijke omgeving een tweede vrouwtje tracht te veroveren. Na de paringen gaat het mannetje terug naar het eerste vrouwtje en helpt met het voeden van de jongen.


De Bonte Vliegenvanger wordt vooral aangetroffen in half open loof- en gemengde bossen met een gevarieerde structuur. Het meest in het zuiden en oosten van Nederland. Ze eten insecten zoals vliegen, muggen, vlinders en libellen, maar ook oorwurmen en sprinkhanen. Vanaf een zitpost maken bonte vliegenvangers korte vluchten achter vliegende insecten aan, en vangen deze in volle vlucht.
Veren zijn erg belangrijk voor vogels en hebben meerdere functies zoals vliegen, isolatie, camouflage of pronken en het afstoten van water. Vogels zijn er dan ook zuinig op en poetsen hun veren uitvoerig. Tijdens het poetsen worden stof, vuil en parasieten verwijderd. Vervolgens wordt het verenkleed ingevet of geolied, zodat de veren flexibel en waterafstotend blijven. Deze ‘wax’ is afkomstig van een klier bij de staart.


Rond de eeuwwisseling werd het aantal broedparen van de bonte vliegenvanger berekend op ongeveer 14.000 tot 18.000 paren. Doordat ze veel gebruik maken van nestkasten, was dat een tamelijk betrouwbare indruk van de populatie. In de laatste tien jaar zit de soort weer in de lift en namen de aantallen toe.

zondag 2 juni 2019

Ladderboktor (Saperda scalaris)

Vanmorgen zag ik een tor die mijn aandacht trok. Mijn motto: maak er eerst een foto van, en zoek later uit wat het is (of was). In Engeland zeggen ze "Copy first, worry later". Het was een tor, een Ladderboktor.


De Ladderboktor (Saperda scalaris) is een keversoort uit de familie van de boktorren (Cerambycidae). De wetenschappelijke naam van de soort werd voor het eerst geldig gepubliceerd in 1758 door Linnaeus. Het merendeel van de waarnemingen komt uit mei en vooral uit juni. Van de waarnemingen buiten deze periode heeft in ieder geval een deel betrekking op dieren die binnenshuis in haardhout werden gevonden.

De kevers zijn 12 tot 18 millimeter lang. Haar lichaam is zwart en draagt ​​een complex patroon van felgele tot groene behaarde delen. Zelden zijn er exemplaren met een lichte of grijsachtige kleur. Vooral de dekkingsvleugels zijn nogal geelgroen gekleurd, het schild aan de kop en de keel is nogal geel. De gekleurde delen vormen een strook langs de vleugelnaad van de linker en rechter tak van in totaal vijf "laddersporten". De gele kleur kan ook zwaarder wegen, zodat het lijkt alsof de kever een zwart patroon zou dragen. De poten zijn geelgrijs, de sondes zijn lichtgrijs gekleurd, maar aan het einde van elk segment zijn ze donker.

De Ladderboktor (Saperda scalaris).

De mannetjes bevinden zich meestal in boomtoppen, en zijn zeldzamer op bloemen. De vrouwtjes worden gevonden op gekapt hardhout. De larven ontwikkelen zich in dood hout en aangetast hout van veel verschillende soorten hardhout, zoals. In eik , beuk , iep , berk , wilg , hazelaar , enz. De vrouwtjes leggen hun eieren in een gebeten voor. De broedlarven hebben twee tot drie jaar nodig om zich te ontwikkelen.

De larve leeft in en onder de schors van afstervende stammen, takken en twijgen van staand of liggend loofhout. Het betreft vaak eik maar in het buitenland is de soort ook vermeld van els, zoete kers, appel, lijsterbes, iep, noorse esdoorn, zomereik, wintereik, walnoot, boswilg, kraakwilg, zwarte populier en berk. In het westen van Nordrhein-Westfalen is de soort vooral op els vastgesteld. Bij wijze van uitzondering gebruikt Saperda scalaris ook naaldhout als lork en fijnspar. In Nederland werden exemplaren gekweekt uit eik en adulten werden aangetroffen in gangen in hoogstamfruitbomen. Verpopping vindt plaats in het spinthout onder schors in het hout. De ontwikkeling duurt twee jaar.

Bosbeekjuffers en Weidebeekjuffers

Vanmorgen zag ik libelle juffers dicht bij de Groote Beerze. Deze beekjuffers behoren tot de libellen familie, maar zijn gelijkvleugelig, en daarmee geen echte libellen. het zijn twee nou verwante soorten; de zeldzame Bosbeekjuffer (Calopteryx virgo) en de algemene Weidebeekjuffer (Calopteryx splendens). De twee soorten zijn te onderscheiden door de kleurbezetting van de vleugels. De Bosbeekjuffer man heeft vleugels die vrijwel volledig zwart met een blauwe glans gekleurd zijn. bij de Weidebeekjuffer man is dat een blauwe vlek die maar een deel van de vleugel kleurt.

Bosbeekjuffer (Calopteryx virgo)

Bosbeekjuffer
De Bosbeekjuffer is een opvallende soort, die graag op beschaduwde plekken vliegt. De juffers 'fladderen' boven het water. Mannetjes hebben vrijwel geheel donkerblauw gekleurde vleugels. Het vrouwtje lijkt sterk op de Weidebeekjuffer, maar het pseudopterostigma is verder van de vleugeltop verwijderd en de vleugels zijn bruinig en weinig doorzichtig. Het lichaam van het mannetje is metaalglanzend blauw, terwijl die bij het vrouwtje metaalkleurig groen is. De vleugels van de mannetjes zijn vrijwel geheel donkerblauw gekleurd, bij de vrouwtjes is die bruin tot bruingroen en weinig doorzichtig.

Links een man - rechts een vrouw Bosbeekjuffer (Calopteryx virgo)

De Bosbeekjuffer (Calopteryx virgo) is een 45 tot 49 mm grote Juffer uit de familie van de beekjuffers (Calopterygidae), die in vrijwel heel Europa voorkomt. Het is een kenmerkende soort voor natuurlijke, langzaam stromende (bos)beken met een heel goede kwaliteit van het water. Door het verdwijnen van dit biotoop is de soort in Nederland sterk achteruitgegaan en staat dan ook op de Nederlandse Rode lijst (libellen) als bedreigd. Bosbeekjuffers zijn forse juffers met zeer brede vleugels en een dicht netwerk van vleugeladers. De mannetjes hebben een blauw metaalglanzend lichaam en vrijwel geheel zwarte vleugels met een blauwe glans. Alleen de uiterste top en uiterste basis van de vleugels zijn lichter getint. Pterostigma's ontbreken. De onderkant van de achterlijfspunt is roodbruin gekleurd. De vrouwtjes hebben een groen tot bruin metaalglanzend lichaam. De vleugels zijn egaal van kleur, groenbruin tot bruin getint, met een wit pterostigma waarin de vleugeladers doorlopen (pseudopterostigma).

Een nog niet uitgekleurde man Bosbeekjuffer (Calopteryx virgo)

Habitat Bosbeekjuffer: Hoofdzakelijk bij koele zuurstofrijke beekjes en bovenlopen van riviertjes, in het laagland bij bosbeken.

Weidebeekjuffer
De Weidebeekjuffer is een behoorlijke vlieger en kan tijdens de zwerftochten ver van het water aangetroffen worden. Mannetjes hebben in de vleugels een donkerblauw gekleurde band, die de basis en de top vrijlaat. De vrouwtjes hebben groenige vleugels, die iets doorzichtig zijn en het pseudopterostigma ligt dichter bij de vleugeltop dan bij vrouwtjes van de Bosbeekjuffer. Het lichaam van het mannetje is metaalglanzend blauw, terwijl die bij het vrouwtje metaalkleurig groen is. De vleugels van de mannetje heeft een donkerblauw gekleurde band, die de basis en de top vrijlaat. De band beslaat iets meer dan de helft van de vleugellengte, bij de vrouwtjes is die groen tot groenbruin en iets doorzichtig.

Links een man - rechts een vrouw Weidebeekjuffer (Calopteryx splendens)

De weidebeekjuffer (Calopteryx splendens) is een 45 à 48 mm grote Juffer uit de familie van de beekjuffers (Calopterygidae), die in Nederland en België vrij algemeen voorkomt bij stromend water van redelijke kwaliteit. In het westen van Nederland is hij zeldzaam. De weidebeekjuffer vliegt van mei tot september. Door de vlinderachtige vlucht vormen ze een opvallende verschijning. De Weidebeekjuffer is een behoorlijke vlieger en kan tijdens de zwerftochten ver van het water aangetroffen worden. Mannetjes hebben in de vleugels een donkerblauw gekleurde band, die de basis en de top vrijlaat. De vrouwtjes hebben groenige vleugels, die iets doorzichtig zijn en het pseudopterostigma ligt dichter bij de vleugeltop dan bij vrouwtjes van de Bosbeekjuffer.

Habitat Weidebeekjuffer: Aan vrij zuurstofrijke en meestal onbeschaduwde beken en rivieren, zelden bij stilstaand water. Vertoont zwerfgedrag.

zaterdag 1 juni 2019

Geluidsopname: De Grote Karekiet

Deze Grote karekiet hoorde ik vanmorgen in het riet langs het Goorven van Landgoed de Utrecht tussen Netersel, Lage Mierde, Esbeek en Baarschot-Diessen. Helaas geen beelden van deze zeldzame Grote karekiet, maar gelukkig wel een geluidsopname.

Geluidsopname: De Grote Karekiet (HD - HiFi audio)

Het is een forse karekiet, groot, met een dikke middellange snavel. Het mannetje heeft een harde vérdragende zang. De zang lijkt wel wat op die van de kleine karekiet, maar is veel rauwer en harder.

De Grote karekiet is grootste van de karekieten soort in Nederland die leeft in rietvelden en rietkragen. Ze leven vrijwel uitsluitend in overjarig riet dat in het water staat. Dat specifieke habitat is in Nederland relatief zeldzaam geworden en mede daardoor is de grote karekiet dat ook.