Dat het herfst is te merken aan de paddenstoelen die weer uit de grond komen. Wat we zien zijn de vruchtlichamen, het Mycelium - vegetatieve netwerk van schimmels - zitten onder de grond en in het hout verstopt. Mycelium bestaande uit microscopisch kleine draadjes die hyfen worden genoemd.
De levermelkzwam komt voor bij naaldbomen en struiken op zuur, voedselarm zand en veen. Hij komt voor bij naaldbomen en struiken op zuur, voedselarm zand en veen. Hij komt het meest voor bij dennen, maar kan ook bij lariks en douglasspar voorkomen. Vaak groeit de soort in een dikke laag strooisel van dennennaalden. Hij komt later in het jaar tevoorschijn en is te vinden tot ver in januari. Het is een van de weinige paddenstoelensoorten die positief reageert op stikstofdepositie.
De hoed is aanvankelijk convex, later uitgespreid en vaak met een klein umbo (bult) in het midden. De diameter is 1 tot 6 (7) cm. Glad oppervlak, glanzend als het nat is, meestal iets ruw aan de rand, bedekt met fijne vezels. De kleur is leverbruin tot kastanjebruin met een vage olijftint. De hoedrand is vaak wat bleker en fijn gekarteld, maar niet doorschijnend en gestreept.
De lamellen zijn (kort) aflopend, geelbruin tot bleek oker, met een paarse gloed en oranjerood bij oudere exemplaren. Het vlees is wit, met rozig-gelige tint. Soms splitsen de lamellen ze zich bij de steel. De melk wit, zwavelgelig opdrogend (op een zakdoek of stukje wit papier).
De steel is 3 tot 7 cm lang (ongeveer net zo lang als de hoed diameter) en 4-8 mm dik. De steel is cilindrisch, broos, aanvankelijk vol, later leeg. De kleur is net als de goed in het bovenste deel en vaak steenrood aan de basis. De steel heeft geen velum.
