woensdag 15 februari 2023

Krokussen kondigen de lente aan

Zo gauw de winter over zijn hoogtepunt heen is, kondigen de sneeuwklokjes en krokussen de naderende lente aan. De eerste in een reeks bolgewassen die de Nederlandse tuinen in het voorseizoen kleur geven. De krokus komt meestal laat in maart omhoog, maar het kan zomaar in februari al gebeuren en op een of andere manier kondigt die vroege lente zich dan ook meteen in ons hoofd aan.


Deze Boerenkrokussen stonden vanmiddag te smeken om op de foto te mogen.

Deze krokus is te herkennen aan de heldere kleuren van de bloem, lila of purper, waarbij de bloembladen van boven naar beneden langzaam in de witte kroonbuis overgaan. Bij volle zonneschijn spreiden de bloembladen zich stervormig. Een duidelijk verschil met een andere krokus-soort, namelijk de veel aangeplante Bonte krokus, is de breedte van het lange, smalle blad. Boerenkrokus heeft bladeren van 2-4 mm, Bonte krokus van 4-9 mm breedte. Nog andere krokus-soorten zijn vaak geel van kleur.

Boerenkrokus, Crocus tommasinianus Herb., is een soort uit de Lissenfamilie of Iridaceae. Een van de meest in het oog springende eigenschappen is het al vroeg in het voorjaar verschijnen van de kleurrijke bloemen. In maart maar vaak ook al in februari en als de winter erg zacht is een enkele keer al in januari is deze soort al volop in bloei. Wanneer de zon schijnt spreiden de bloemdekbladen zich breed stervormig uit. In de bodem bevindt zich een knol, meestal wordt deze aangeduid als 'corm' dat wil zeggen dat het weliswaar een op een bol lijkende structuur is, echter zonder de 'rokken' die we kennen van bijvoorbeeld een ui. Deze knol of corm zit vaak wel 10 cm of meer diep, is min of meer massief en bevat aan de top meestal maar één groeipunt. Rondom de knol zit een vezelig omhulsel. De soort behoort dan ook tot de geofyten, planten die het 'slechte' jaargetijde in de bodem doorbrengen. Zie voor een verdere uitleg van het begrip 'corm' het onderdeel Bijzonderheden.


De stengel is heel kort en bevindt zich onder de grond, vanaf de knol tot aan de aanhechtingsplaats van bloem en bladeren. De bladeren zijn smal, 2 tot 4 mm breed, lijnvormig en iets hol, we zeggen wel gootvormig. Deze staan in een krans om bloemkroonbuis heen, kenmerkend is ook de witte middenstreep op het blad. Ze lijken grondstandig, wat komt doordat de aanhechtingsplaats van de bladeren zich ondergronds bevindt. Om de bladeren en de centrale bloem staat een aantal vliezige schutbladeren.

De wat elliptische lang aflopende bloemdekbladen zijn aan de top lila tot purper of paars en deze kleur verloopt naar beneden in de kroonbuis naar wit. Soms is de keel, een andere aanduiding voor de kroonbuis, ook wel wat donkerkleurig of vuilgrijs. De drie meeldraden openen hun helmhokken naar buiten toe; het vruchtbeginsel is onderstandig en heeft één stijl die bovenaan bestaat uit drie takken; de stempels zijn te vinden op deze drie stijltakken. Na de bevruchting ontwikkelt zich een doosvrucht die naderhand naar boven groeit en boven het maaiveld uit steekt. Ook hieraan wordt aandacht geschonken in het onderdeel Bijzonderheden.

Tekst: Flora van Nederland