vrijdag 25 mei 2018

Zwartbandspanner in Netersel

Tijdens werkzaamheden aan de schuur in Netersel, zag ik een mooie nachtvlinder tegen de deur zitten. Het is een Zwartbandspanner, een nachtvlinder.

De zwartbandspanner rust overdag normaal in de struiken. (foto's: Samsung Galaxy S5 Neo Smartphone)

De zwartbandspanner (Xanthorhoe fluctuata) is een nachtvlinder uit de familie Geometridae, de spanners. De spanwijdte bedraagt tussen de 18 en 25 millimeter. De vlinder vliegt in twee generaties van half april tot en met september. De waardplanten zijn onder meer Descurainia sophia, Brassica napus, Raphanus raphanistrum en Erysimum cheiranthoides. Het verspreidingsgebied beslaat een groot deel van het Palearctisch gebied. In Nederland en België is de vlinder algemeen.

Overdag rust de zwartbandspanner in struiken, tegen de schemering wordt de vlinder actief.

donderdag 24 mei 2018

Insecten en juffers in de graskant

Wie lang een met gras begroeide sloot wandelt en goed oplet, kan zomaar enkele bijzondere insecten tegen komen. Behalve de eerder geposte insecten en libelle larve vervelling, kwam ik vanmorgen nog enkele mooie soorten tegen op de Neterselse Heide.

De Weidebeekjuffer (man). (foto's: Nikon D300)

De weidebeekjuffer (Calopteryx splendens) is een 45 à 48 mm grote Juffer uit de familie van de beekjuffers (Calopterygidae), die in Nederland en België vrij algemeen voorkomt bij stromend water van redelijke kwaliteit.

Een Dambordvlieg en een Grote Dansvlieg (Empis tessellata). (foto's: Nikon D300)

De Dambordvlieg of de Grijze vleesvlieg (Sarcophaga carnaria) is ongeveer 13 tot 15 millimeter lang, de kleur is grijszwart. Op het borststuk zitten enkele lichtere lengtestrepen, op het achterlijf is een patroon van afwisselende lichte vlekken zichtbaar, waaraan de naam dambordvlieg te danken is. Het borststuk is erg breed evenals de uiteinden van de poten. De ogen zijn groot, rond en opvallend rood gekleurd.

Dansvliegen (Empididae) zijn zeer klein en vaak onopvallend, bruin gekleurd. De kop is rondachtig, waarbij de mannetjes zeer vaak vergrote samengestelde ogen hebben. De steeksnuit is bij enkele soorten opvallend lang en dient voor het steken en leegzuigen van andere insecten. De poten van de vliegen zijn relatief lang, waarbij een paar poten dikwijls omgevormd zijn tot een vangpoot met op de dijen doornen en met gekromde schenen, zo ongeveer als bij soorten van het geslacht Chelifera.

Een Stro-uiltje en een Gegroefde lapsnuitkever. (foto's: met een Nikon Coolpix S9900)

Het stro-uiltje (Rivula sericealis) is een vlinder uit de familie spinneruilen (Erebidae). De voorvleugellengte bedraagt tussen de 13 en 15 millimeter. De imago kan verward worden met de late koolmot (Evergestis forficalis) uit de familie van de grasmotten (Crambidae), maar deze is wat groter en er lopen strepen over de voorvleugel. De soort overwintert als rups. Het stro-uiltje heeft diverse grassen als waardplant, zoals boskortsteel en pijpestrootje.

Snuitkevers (Curculionoidea) danken de naam aan de soms sterk verlengde kop met de tasters die vaak in het midden of helemaal vooraan zitten. Sommige soorten hebben een minder sterk verlengde snuit (bijvoorbeeld soorten uit de onderfamilie Scolytinae) en er zijn ook kevers uit andere infraorden die een wat verlengde 'snuit' hebben, zodat bij een aantal soorten verwarring kan ontstaan. De lichaamslengte varieert van 0,1 tot 9 cm. Het lichaam is vaak onopvallend gemarmerd, soms juist zeer kleurrijk met metaalglans of bonte vlekken. De antennen zijn meestal samengesteld uit 11 geledingen, die gebogen of geknikt zijn.

Pop van een Aziatische lieveheersbeestje. (foto's: Nikon Coolpix S9900)

Wat een raar gezicht, een pop van het Aziatisch lieveheersbeestje met een gemeen stekelige baard. Het is de buitenaards aandoende pop van het Veelkleurig Aziatisch Lieveheersbeestje (Harmonia axyridis). Als je naar de laatste foto hierboven kijkt dan zie je de voorloper van de pop; het laatste larvestadium. De goede kijker ziet het meteen; de ‘baard’ van de pop is de laatste afgestroopte vervelling van de larve.

Het Aziatisch lieveheersbeestje (Harmonia axyridis) kent veel kleurenvariaties. Ook het aantal stippen varieert erg. Deze soort heeft veel verschillende mogelijke tekeningen, van vrijwel geheel oranje tot bijna zwart, maar is herkenbaar aan de zwarte 'M'-vormige tekening op het halsschild (pronotum) en het van achteren vaak wat geplooide of gedeukte rugschild (elytrum).

Larven huidje van Platbuik nimf

Vanmorgen wandelde ik op de Neterselse Heide langs een brede sloot zoekend naar kleine insecten. Behalve kleine insecten vond ik ook een larven huidje van een Platbuik libelle.


De platbuik (Libellula depressa) is een insect dat behoort tot de orde libellen (Odonata) en de familie van de korenbouten (Libellulidae). De platbuik is een pionierssoort en meestal te vinden bij kleine wateren met weinig vegetatie. De volwassen mannetjes van de platbuik zijn blauw van kleur terwijl de vrouwtjes een bruingele kleur hebben. De voorstadia worden nimfen genoemd en zijn gedrongen en vleugelloos. Zowel de volwassen libel als de nimfen zijn jagers die leven van andere diertjes zoals kleinere vliegende insecten. De libel leeft meestal twee jaar als nimf in het water op de bodem en overwintert hier ook. De volwassen platbuik kan enkele maanden oud worden.


De eieren komen na twee tot vijf weken uit, waarna de nimf verschijnt. De jonge nimfen bevinden zich vaak op de bodem, de oudere nimfen graven zich in en leven meer in het substraat. De nimf is een jager die alles grijpt wat hij aankan, net als bij andere libellenimfen wordt hierbij het vangmasker gebruikt. De larven zijn kannibalistisch en eten ook kleinere soortgenoten. De ontwikkeling van nimf tot imago duurt meestal twee jaar, onder gunstige omstandigheden kan de nimf zich al na een jaar ontwikkelen. Dat gebeurt alleen als de watertemperatuur hoog is en er genoeg voedsel beschikbaar is. De nimfen zijn vaak bedekt met het substraat maar eenmaal schoongemaakt wordt het platte, ovale lichaam zichtbaar. Ze hebben een duidelijke segmentering en aan het achterlijf zijn vijf uitsteeksels zichtbaar rond de achterlijfspunt.

Als de nimf zich volledig heeft ontwikkeld wordt definitief het water verlaten, de nimf is dan zo'n 25 millimeter lang. De nimf kruipt vaak tegen een plantenstengel waar de metamorfose plaatsvindt. Het uit de laatste nimfenhuid kruipen van de libel wordt ook wel uitsluipen genoemd. De nimf kan zich op enkele meters van het water begeven en er zijn wel nimfen aangetroffen tot op een hoogte van 80 centimeter. De meeste nimfen sluipen uit in april tot juni met een piek in mei.

Moerasplanten, Veenpluis en Zonnedauw

Tijdens een wandeling over de Neterselse Heide kun je het Veenpluis goed zien. Het is een hoge grassoort met een witte pluim. Minder opvallend, maar gelukkig toch talrijk aanwezig is Zonnedauw, een vleesetend plantje van enkele centimeters groot.

Het Veenpluis groeit in moerassig gebied. De witte pluim is vruchtpluis.

Veenpluis (Eriophorum angustifolium) is een plant uit de cypergrassenfamilie (Cyperaceae). De plant groeit op vochtige, zure grond, zoals heide en veen. Het vormt daar zoden met behulp van uitlopers. Opvallend is het lange, witte vruchtpluis, waaraan de naam ontleend is. Hij is plaatselijk vrij algemeen in Drenthe, de Kempen en de Ardennen. Elders in België en Nederland is veenpluis zeldzaam tot zeer zeldzaam. De plant is te vinden op natte heide, in veenmosrietland, turfgaten en op bulten van levend hoogveen. Verder langs greppels en in spoorbermen, hoogveenslenken en bij vennen, op open plekken in berkenbroekbos, in duinvalleien en zandgroeven, op heischraal grasland en hooiland.


De bloempjes vormen aren, die van juni tot augustus in bloei staan. De bloemen zijn erg klein en vallen daarom niet op. Ze zijn tweeslachtig en in plaats van een kelk en kroon is er een krans van borstelharen (omgevormde schutblaadjes), die later uitgroeien tot lange witte haren. De bladeren zijn donkergroen. Geleidelijk worden ze bruin en tegen bloeitijd sterven de bladeren af. Als het bloeiseizoen is afgelopen tegen het eind van de zomer, ontstaan er nieuwe bladeren. De vrucht van veenpluis is een driehoekig nootje, dat omringd is door lange witte haren (de pluis).

Zonnedauw is een plantje dat met lokstof insecten lokt. Het plantje komt sinds heugenis voor in de Neterselse Heide. Langs de paden is het plantje te zien op kale plekken, waaronder de plaatsen waar de toplaag is afgeplagd.


Zonnedauw (Drosera) is een geslacht van vleesetende planten in de Zonnedauwfamilie (Droseraceae). De zonnedauw lokt, vangt en verteert insecten door een glinsterende, kleverige substantie aan diens tentakeltjes. De prooi dient om de plant te voorzien van voedingsstoffen die vrijwel afwezig zijn in de bodem waar de planten leven. De meeste zonnedauw leven in moerasachtige gebieden, maar er zijn uitzonderingen in uiterst droge gebieden.