donderdag 22 juni 2017

De Bonte vliegenvanger

De Bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca) is een kleine zangvogel uit de familie van de vliegenvangers. Het is een van de vier soorten zwart-witte vliegenvangers die in het westers Palearctisch gebied voorkomt.

De Bonte vliegenvanger komt met regelmaat bij de vijver van de fotohut.

De keel en buik van het Bonte vliegenvanger mannetje van de noordelijke populaties zijn helder wit van kleur evenals de witte vleugelvlek en een kleine dubbele witte vlek boven de snavel. De rest van het verenkleed is zwart in prachtkleed, of meer bruingrijs. Het mannetje is donkerder van kleur dan het vrouwtje dat meer bruin is. Maar in Nederland zijn de mannetjes niet zwart maar bruin en soms moeilijk van vrouwtjes te onderscheiden.


Deze soort wordt vooral aangetroffen in half open loof- en gemengde bossen met een gevarieerde structuur. Het meest in het oosten van Nederland. Ze eten insecten zoals vliegen, muggen, vlinders en libellen, maar ook oorwurmen en sprinkhanen. Vanaf een zitpost maken bonte vliegenvangers korte vluchten achter vliegende insecten aan, en vangen deze in volle vlucht. Ze broeden vanaf eind april tot en met juni. Heeft 1 legsel per jaar met meestal 6 tot 7 eieren. Ze broeden vaak in nestkasten, maar ook wel in boomholten. Broedduur 12 tot 17 dagen. Na 16 dagen vliegen de jongen uit. Dan blijven de vogels met elkaar nog zo'n ca. 8 dagen in omgeving van het nest, om daarna de broedplaats meestal te verlaten.

Goudvink juveniel terug voor een bad

Nadat de Goudvink man, vrouw en juveniel afgelopen dinsdag aan de vogel-fotohut verscheen was de juveniel vanmorgen weer terug om een verkoelend bad te nemen.

De Goudvink juveniel kwam drinken en nam daarna ook een bad.

De eerstejaars jonge Goudvink ziet er bijna het zelfde uit als het vrouwtje, maar dan met een geheel bruine kop en rug. De volwassen man heeft een zwarte kop van kruin tot en met de kin, een zware, zwarte snavel en is aan de bovenzijde blauwgrijs met een witte stuit, zwarte staart, zwarte vleugels met witte dwars streep. De onderzijde is rozerood, ook zij-kop. Het volwassen vrouwtje is aan bovenzijde donkergrijsbruin, aan onderzijde en op zij-kop licht rozebruin, verder als de volwassen man.


Om de waterkwaliteit van het vijvertje te verbeteren en op een goed niveau te houden heb ik vanmiddag een biologisch vijverfilter geïnstalleerd. Boomblad dat van de bomen valt en in het vijverwater terecht komt wordt er wel dagelijks uitgeschept, maar er zakken toch noch bladresten naar de bodem die daar verrotten, met als gevolg dat het water gaat ruiken. Daar komt nu een einde aan als het goed is. De vogels hebben recht op gezond water.

dinsdag 20 juni 2017

De Goudvink, man, vrouw en juveniel

Alle moeite om vogels naar de vogel-fotohut te lokken loont zich. Vorig jaar in het najaar bouwden ik, met hulp van een bevriende natuurfotograaf een vogel-fotohut is de grote tuin die wij (broer en zussen) gezamenlijk bezitten. Die tuin is aangelegd door onze ouders en is uitgegroeid tot een klein park met grote bomen en diverse struiken. Bij de vogelhut wordt uiteraard gevoerd en er is een kleine vijver aangelegd. Allemaal voorwaarden om vogels te trekken. Een win-win situatie. ik ben blij met de komst van de vogels, en de vogels zijn blij met de voederplaats en het drink en badwater.

Net voor het middaguur verscheen de Goudvink man aan de vogelhut, samen met zijn jong, die aan de andere kant van het vijvertje zat.

Gisteren verscheen het vrouwtje van de Goudvink (Pyrrhula pyrrhula), waarna ik de hoop uitsprak dat het mannetje ook naar de vijver zou komen. Vanmorgen ben ik al vroeg gaan posten en kreeg later bezoek van mijn broer. Ik had toen de zanglijster en enkele ander vogels al kunnen fotograferen, maar hoopten natuurlijk de goudvink nog te zien. Ik zei tegen mijn broer dat het erge warme weer wel eens in mijn voordeel zou kunnen werken. Gisteren was het vrouwtje op het water af gekomen om te baden, niet om te eten. "Als het zo warm is zal de goudvink man het ook wel warm hebben", zie ik nog tegen mijn broer. Nog geen minuut later merkte ik de Goudvink man op en begon met fotograferen. Na enkele foto's keek ik eens over de vijver of het vrouwtje er ook bij was, en zag aan de ander kant van het vijvertje een jonge goudvink, een juveniel. De ouder goudvink vloog weer weg, maar de jonge vogel was druk bezig met een verkoelend bad. Een minuut of tien later kwam het vrouwtje ook nog even naar het water. Nu had ik de hele familie goudvink bij elkaar.

Het vrouwtje is veel vager van kleur, wat haar minder opvallend maakt als ze op het nest zit.

De goudvink is een stevige vink (orde der zangvogels), met een 'stierennek', die ondanks zijn opvallende uiterlijk vaak over het hoofd wordt gezien, omdat hij zo schuw is en zo'n verborgen leven leidt. De vogel is 15,5 tot 17,5 cm lang. De volwassen man (adult) heeft een zwarte kop van kruin tot en met de kin, een zware, zwarte snavel en is aan de bovenzijde blauwgrijs met een witte stuit, zwarte staart, zwarte vleugels met witte dwars streep. De onderzijde is rozerood, ook zij-kop. Het volwassen vrouwtje is aan bovenzijde donkergrijsbruin, aan onderzijde en op zij-kop licht rozebruin, verder als de volwassen man. De eerstejaars jonge vogels (juveniel = onvolwassen) ziet er bijna het zelfde uit als het vrouwtje, maar dan met een geheel bruine kop en rug.

De eerstejaars jonge vogels ziet er bijna het zelfde uit als het vrouwtje, maar dan met een geheel bruine kop en rug.

De goudvink broedt van eind april tot juli. Het platte nest is gemaakt van takjes en stengels, soms mos, gevoerd met worteltjes, haar en wat wol of veertjes en bevindt zich op manshoogte. De broedduur bedraagt 12 - 14 dagen. Het vrouwtje wordt tijdens het broeden door het mannetje gevoerd. Beide vogels verzorgen de jongen, die na 12 - 16 dagen uitvliegen. De goudvink heeft twee broedsels per jaar. Mannetje en het vrouwtje blijven bij elkaar gedurende het hele jaar (ongebruikelijk bij andere vinkensoorten). Gewoonlijk bestaat het legsel uit vier à vijf eieren, zelden zes. De eieren zijn blauwachtig tot blauwwit met bruine stipjes, streepjes, soms vlekjes; grijze ondervlekken. Soms zijn ze kransvormig. De eieren zijn gemiddeld 19 bij 14 mm.


Goudvinken leven verborgen in paren of familieverband, soms in troepjes. Een goudvink is hoofdzakelijk een standvogel. De noordelijke vorm, 'Grote goudvink' genaamd, is een vrij zeldzame en onregelmatige doortrekker. In de winter sluiten zij zich aan bij andere groepen vinken. De goudvink is in Nederland een vrij algemene broedvogel van de zandgronden waarop naaldbos staat. In de periode 1979-1985 bedroeg het aantal broedparen circa 17500 paar. De goudvink breidde zijn areaal binnen Nederland gedeeltelijk uit, bijvoorbeeld naar de bossen in Flevoland. Op sommige plaatsen was er ook een sterke achteruitgang. Volgens SOVON bleef in de periode 1990-2007 het aantal broedparen vrij constant. Rond 2007 broedden er nog ongeveer 8000 paar in Nederland.

De zanglijster (Turdus philomelos)

De zanglijster (Turdus philomelos) is een zangvogel uit de familie lijsters (Turdidae). Al vanaf het vroege voorjaar hoorde ik de zanglijster luid zingen in de toppen van de bomen, maar zag hem niet doordat hij alsmaar achter het boomblad verscholen zat. Maar vanmorgen was hij bij de fotohut, waar ik op dat moment gelukkig ook was.

De zang van de zanglijster is luid en zeer gevarieerd, levendig en vol.

De zang van de zanglijster is vaak een piepende en schrille waterval van noten met weinig korte pauzes met strofen die 2 tot 4 keer herhaald worden. De zanglijster begint 's ochtends tijdens de schemering met zingen. 's Avonds zingt hij tot het donker wordt. De zanglijster zingt vanaf een hoog punt, bijvoorbeeld in een boomtop of op een dak. Al in januari zijn de zanglijsters te horen

Zanglijsters lijken veel op de grote lijster (Turdus viscivorus), maar ze zijn kleiner; de zanglijster heeft een lengte van ongeveer 23 cm en een spanwijdte van 33 tot 36 cm. De zanglijster is ook kleiner dan een merel (Turdus merula), die ongeveer 24 cm meet. Een zanglijster weegt tussen de 70 en 90 gram. De rug van de zanglijster is effen donkerbruin tot olijfbruin (die van de grote lijster is grijs-bruin). De bovenkant van de vleugels van de zanglijster zijn effen bruin met vaal witte uiteinden. De onderkant is vaal oranje-beige. De staart is vrij kort. De buik van de zanglijster is wit met V-vormige bruinzwarte vlekken. De onderzijde is bruin-okergeel aan de flanken. De poten zijn oranje-roze. De zanglijster heeft een vale witte ring rond het oog en strepen onder de wangen. De snavel is zwart-grijs en aan het begin bij de kop geel met zwarte snorharen. Er is nauwelijks verschil tussen de geslachten van de zanglijster. De zanglijster heeft een gemiddelde levensduur van 5 jaar.


Het nest maakt de zanglijster laag in dichtbegroeide boom, heg of struik, zoals in een klimop. Het nest bestaat uit takjes en is van binnen bepleisterd met klei en vermolmd hout. De bekleding bestaat uit mos en/of gras. De zanglijster legt 3 tot 6 eieren, lichtblauw (turkooisachtig) met enkele zwarte vlekken. Er zijn 1 tot 3 legsels per jaar gedurende de maanden maart t/m juli. De zanglijster eet slakken (witgerande tuinslak), insecten, pissebedden, duizendpoten en wormen. Typisch voor de zanglijster is het stuk slaan van slakkenhuizen op een vaste plek 'de smidse', om zo bij het malse slakkenvlees te komen. Hij springt en rent over het gras om zijn prooi te vangen. Soms staat de zanglijster met zijn kop schuin te turen in het gras om vervolgens een worm uit te grond te trekken. Ook bessen zoals de lijsterbes en fruit (appels) staan op het menu, met name in de winter. Voederhuisjes bezoekt de zanglijster niet graag.

Zanglijsters komen in Nederland en België het hele jaar voor. Zanglijsters uit het noorden overwinteren in West- en Zuid-Europa. De Nederlandse zanglijsters overwinteren in Frankrijk en Engeland. In het najaar trekken ze gedurende de nacht met weinig geluid naar deze overwinteringsgebieden.