vrijdag 4 november 2016

Mezen, samen veiliger in de herfst

In de herfst trekken koolmezen en pimpelmezen samen op. Dat is veiliger, want twintig paar kraaloogjes zien die scherpe sperwerklauwen een stuk sneller dan één. Het komt natuurlijk goed uit dat de ‘kooltjes’ en de ‘pimpeltjes’ allebei gek zijn op beukennootjes! Maar er zijn ook verschillen.

Beide zijn dol op gepelde pinda's.

Bijvoeren in de winter
In de koude en gure wintermaanden gebruiken vogels heel veel energie om zich op temperatuur te houden. In de herfst bouwen ze reserves op voor de winter. U kunt ze dus gerust bijvoeren. Vogels proppen zich niet vol als hun honger gestild is. Ook verleren het ze niet om zelf voedsel te vinden. Het kost vogels in de winter veel energie om hun lichaamstemperatuur op 40 graden te houden. In een koude nacht verliezen kleinere soorten soms 10 procent van hun gewicht. Als extra energiebron kunt u vetbollen en pinda’s ophangen.

Bij lichte vorst kunt u vers drinkwater aanbieden. Er wordt ook in gebadderd. Dit is geen probleem: het water rolt van de ingevette veren, dus bevriest niet. Bij strenge vorst kunt u beter geen open (warm) water aanbieden. Als er geen sneeuw ligt om op te pikken, kunt u ijs vergruizen zodat ze de ijssplinters kunnen oppikken. Erg koud in de buik, dus het kost energie, maar het voorziet in de vochtbehoefte.

Nestkasten ophangen al in het najaar
Hang een nestkast al in het najaar op. Vogels kunnen alvast wennen aan de kast en hem gebruiken als schuil- en overnachtingsplaats. Zorg voor een vrije aanvliegroute. Hang de nestkast op een rustige plaats, niet in de volle zon, of wind en regen. Hang de invliegopening daarom het liefst naar het noorden, noordoosten of oosten. Stop zelf geen materiaal zoals stro of zaagsel in het nestkastje.

Koolmees

Koolmezen zijn forse mezen die rondrommelen op de grond. Ze plukken en rukken gevallen natte bladeren opzij om er nootjes en kleine beestjes onder vandaan te halen. Die nemen ze dan mee naar een dikke, veilige tak om ze daar rustig te verorberen.

Pimpelmees

Pimpelmezen zijn wat kleiner en lichter en zitten in de toppen van bomen. Ze hangen ondersteboven aan doorbuigende twijgen om hun nootjes en beestjes te pakken te krijgen. Als ze ruzie hebben zetten ze hun kleine, lichtblauwe kruinveertjes overeind; dan lijken ze tenminste wat groter.

Merel-ziekte is Afrikaanse virus

De Merel heeft het dit najaar zwaar gehad. De Usutu-virus, de 'merel-ziekte' trof ook de Nederlandse Merel populatie.

Vogelbescherming Nederland kreeg veel meldingen van dode merels. Men was al geruime tijd bang dat het Usutu-virus zou gaan toeslaan in Nederland. Onderzoek aan dode vogels heeft nu definitief uitgewezen dat het Usutu-virus Nederland heeft bereikt. Het virus zorgde in 2012 voor een massale sterfte onder de merels in Duitsland. In september en oktober kwamen er ook talloze meldingen uit Gelderland, Noord-Brabant en Limburg.

De merels op deze foto's zijn kerngezond. Ze zijn zeer alert, en vliegen bij de minste onraad meteen weg.

Het Usutu-virus vindt zijn oorsprong in Afrika en wordt overgebracht door muggen. Vermoedelijk is het virus via trekvogels naar Europa overgebracht, waar het 2001 voor het eerst opdook in Oostenrijk. Vanuit daar verspreidde het zich over Europa, met in 2012 een massale slachting onder de merels in Duitsland tot gevolg. Meer dan 300.000 vogels stierven. In sommige Duitse steden was de sterfte zo massaal dat de merels praktisch verdwenen waren uit de tuinen en parken. Sindsdien waart het virus nog steeds rond in Europa en de laatste jaren ook in Nordrhein-Westfalen, de Duitse deelstaat die aan Nederland grenst. Het was dus wachten tot het virus in Nederland zou opduiken.

Weinig gevaar voor mensen
Het is zeer uitzonderlijk dat mensen besmet raken. Het virus wordt door steekmuggen, voornamelijk uit het geslacht Culex, overgedragen. In Europa zijn tot nu toe vijf patiënten met het Usutu-virus bekend, ondanks grootschalige uitbraken bij vogels. Bij drie van deze patiënten was het immuunsysteem verzwakt.


Herkennen zieke merel
Een merel die is besmet met het virus is vaak gemakkelijk te herkennen. Ze zien er - ook als er veel voedsel aanwezig is – ongezond en verzwakt uit. Ze zijn makkelijk te benaderen, hebben een slordig verenkleed en zijn sterk vermagerd. Verder hebben ze evenwichtsstoornissen en kunnen ze soms moeilijk vliegen. Na twee tot drie dagen zijn ze dood. De verwachting is dat merels uiteindelijk immuniteit tegen het virus zullen ontwikkelen.

Herstel
Toch is merelziekte niet iets waar we ons ernstig zorgen over hoeven te maken, zegt Rob Haan, Natuur- en Vogelwacht Biesbosch. "Het is een virus, dus de vogels worden er uiteindelijk immuun voor." Als merels het virus oplopen, zijn ze binnen twee dagen dood.

woensdag 2 november 2016

Vinken zijn trek- en standvogels

Vanmorgen heb ik een paar foto's gemaakt tijdens lichte regen. Zwaar bewolkt weer dus. Mondjesmaat kwamen een paar vinken te voorschijn. Ook de vogels blijven liever droog, en verschuilen zich op veilige droge plaatsen.

Het vinken vrouwtje.

De meeste Nederlandse vinken zijn standvogels, maar een deel trekt over grote of minder grote afstand naar het zuiden om te overwinteren. Vogels die broeden in het noorden en noordoosten van Europa trekken tussen half september en eind november naar het zuiden en zuidwesten van Europa en naar noordelijk Afrika. Voorjaarstrek van vanaf februari, maar vooral in maart en april, met in de voorhoede de mannetjes, die meestal ook het minst ver weg trekken. Vooral dagtrekker, trekt in groepen en laat zich stuwen door groot open water.

Het vinken mannetje.

Het aantal vinken is door grootschalige bosaanplant begin 20e eeuw sterk toegenomen. Ook de bosaanleg in de Flevopolder heeft gezorgd voor een forse toename van het aantal vinken in Nederland. De vink is net als de merel een zeer algemene broedvogel in ons land.

                      

Afbeelding links: Tellingen van 1998-2000. Deze kaart is gebaseerd op de Atlas van de Nederlandse Broedvogels (Sovon 2002). Weergegeven is de relatieve dichtheid per vierkante kilometer.

Afbeelding rechts: Tellingen van 2010-2014. Deze kaart is gebaseerd op het Punt Transect Tellingen project (PTT). Weergegeven is het gemiddeld aantal exemplaren per telroute. Routes waar de soort niet is waargenomen zijn apart aangegeven (geen landelijke dekking).

De vinken vliegen tijdens de trek in groepen. In een golvende vlucht roepen ze zacht ’tjup, tjup’. Ze volgen vaak een kust en reizen soms samen met kepen (’kep, kep’), groenlingen (onverstaanbaar geneuzel) en andere zangvogels. De vink is met naar schatting zes- à zevenhonderdduizend paren één van de talrijkste broedvogels van Nederland. Waar bomen zijn, zijn vinken. Beukenbomen zijn hun favoriet, want ze zijn gek op beukennoten. Ook ’s winters zijn vinken algemeen in bossen, parken, tuinen en zelfs in het open land. Als er maar wat te eten is. Ze zijn dol op zonnebloempitten, vetbol en gepelde pinda's.

Zowel in de zomer als in de winter zijn er vinken. De vink is wat je noemt een standvogel. Maar die vinkentrek dan? Een vangstation om vogels te ringen wordt soms nota bene vinkenbaan genoemd. Weinig vogels trekken zo massaal door als de vink. Met honderdduizenden golven ze door de lucht. Zaterdag 4 oktober (2016) organiseerde Vogelbescherming Nederland de jaarlijkse grote vogelteldag. De vink was de meest geziene gast van 204 vogelsoorten. Er werden 212.440 vinken geteld, zowat twee-vijfde van de 584.219 vogels in totaal. De spreeuw, vorig jaar op 1, haalde nu de tweede plaats. Op één dag 212.440 vinken; hoeveel zouden er die dag over het hoofd gezien zijn? En met hoeveel zouden ze gedurende de hele herfst passeren? Niet met honderdduizenden maar mogelijk met miljoenen.

De vinken van Scandinavië, Finland, Noord-Rusland en de Baltische landen overwinteren in Zuidwest-Europa. Onderweg naar Engeland, Ierland, Frankrijk en Engeland passeren ze de Benelux, waar sommige de hele winter blijven

zondag 30 oktober 2016

De Boomklever en de Heggenmus

Vanmorgen duurden het best lang voor de zon zich door de ochtendnevel wist te branden. Daarom was het lang donker aan de vogel-fotohut. Maar dat maakt de vogels niets uit, die komen toch wel. Zo liet de Boomklever zich zien, een totale verrassing. Een ander vogeltje die ik daar nog niet eerder aan trof was de Heggenmus.

De Boomklever

De rug, vleugels, staart en kop van de Boomklever zijn opvallend blauw gekleurd. De borst en de buik zijn oranje/roestbruin van kleur. Tijdens de broedperiode is het mannetje extra opvallend gekleurd. Korte poten met relatief lange tenen, met lange nagels voor goede grip op de boomschors. Spitse, dunne snavel.


Boomklevers lopen zowel omhoog als omlaag over een boomstam, vandaar z'n naam. Het zijn holenbroeders die erom bekend staan de opening van hun broedholte te verkleinen door te 'metselen' met modder. Deze metseldrang is vaak zo sterk, dat ook wanneer het gat al de juiste grootte heeft, er in de omgeving toch nog een metselwerk gemaakt wordt.

Boomklevers verblijven het gehele jaar in hun territorium. De landelijke broedpopulatie is in het laatste kwart van de twintigste eeuw ruim verdubbeld, dankzij ouder en gevarieerder bos. Insecten, zaden en noten staan op het menu van de Boomklever. De zaden en noten zetten boomklevers vast tussen de bast van de boom, of ze houden die vast in hun poot om met hun krachtige snavel kapot te kunnen pikken. ze zijn vaak te vinden op voedertafels en zijn daar ook vaak assertief aanwezig.

Heggenmus.
De Heggenmus is een van de meest voorkomende broedvogels van ons land, maar toch bij velen onbekend. Dit komt door zijn verborgen bestaan in en onder struiken en heggen. Heggenmussen vliegen niet vaak en scharrelen vooral over de grond om voedsel te zoeken.


De Heggenmus.

De heggenmus heeft een onopvallend bruingrijs verenkleed. De tekening van de rug lijkt veel op die van een huismus, waarbij de heggenmus vooral te herkennen is aan de blauwgrijze kop en borst en de spitse snavel. Is vaak op de grond te vinden, waar heggenmussen als een muis op zoek zijn naar voedsel. In het voorjaar zingt het mannetje al vroeg vanaf de top van een struik of boom.