maandag 3 april 2017

Het Roodborst nest met vier jonge

Zondagmiddag zat de broedperiode van de Roodborst er op. Van de vijf eitjes zijn er vier uitgekomen. De ouder roodborsten vliegen de hele dag af en aan met vliegjes en wormpjes. De jongen zitten de komende 13-15 dagen nog op het nest. Als ze zijn uitgevlogen jongen worden ze nog 2-3 weken verzorgd. Het worden dus drukke tijden voor de roodborst.

Het mannetje van de roodborst gaat op pad en haast zich om de prooi naar het nest te brengen.

Het eten bestaat uit insecten, spinnetjes en andere kleine diertjes zoals kleine regenwormpjes, aangevuld met bessen en zaden. In de winter ook een vaak geziene gast op voedertafels. Ze zoeken voedsel hippend op de grond of vanaf zitplaatsen. De broedperiode duurt nog tot in juli. Zo kunnen ze in die periode 2 legsels voort brengen.

De kleine Tjiftjaf roept zijn naam

De tjiftjaf (Phylloscopus collybita) is een kleine, slanke zangvogel uit de familie Phylloscopidae en een zeer algemene broedvogel in Nederland. Tijdens een korte wandeling langs het Beleven trof ik de Tjiftjaf kort bij. Ik was gelukkig snel genoeg om er een goeie foto van te maken. Meestal zitten ze te ver weg, of vliegen ze te vlug weg.


De tjiftjaf is één van de eerste zangvogels in de Lage Landen die terugkomen uit hun winterverblijf en al in maart is de zang te horen: 'tjiftjaf-tjiftjaf-tjiftjaf'. In het midden van de zomer is er geen zang te horen. In september begint de tweede zangperiode die doorloopt tot in oktober. Ter voorbereiding op de trek eten de vogels zich vol aan insecten in de struiken, waarbij met name de jonge tjiftjaffen zeer regelmatig een kort hoog contactroepje laten horen. Dit roepje klinkt als: 'hiep', 'wieHUU' of 'whiIET'

Het voedsel bestaat uit insecten, rupsen, muggen, larven en eieren. Ze leggen meestal vijf tot zeven witte eieren met bruine of roodbruine vlekjes. Broedduur 13-15 dagen. Het ovenvormige nest met zij-ingang ligt goed verstopt in dichte vegetatie, of vlak boven de grond. Het nest wordt vervaardigd van droge bladeren, gras en mos en van binnen met veertjes bekleed. Jongen zitten 14-16 dagen op het nest en worden nog 10-14 dagen na uitvliegen gevoed.

zondag 2 april 2017

Zomertalingen op het Beleven

De zomertaling (Anas querquedula) is een kleine soort eend. De zomertaling heeft een groot verspreidingsgebied van West-Europa tot ver in Azië. Zijn voedsel bestaat uit water- en moerasplanten. Op het Beleven is daar genoeg van.


Het mannetje heeft als belangrijkste kenmerk een roomwitte streep boven het oog tot aan de hals. In vlucht heeft het mannetje een blauwgrijze voorvleugel en een witte buik. Het vrouwtje is zoals bij veel eendensoorten moeilijker te onderscheiden. Zij heeft een enigszins grijs gekleurde vleugels dan het vrouwtje van de wintertaling en mist haar groene spiegel.

Blauwe reigers vechten om vrouwtjes

De blauwe reiger is de bekendste vertegenwoordiger van de familie in België en Nederland. Op het Beleven in Reusel zaten meer blauwe reigers dan gebruikelijk. Dat was ook te merken aan het gedrag van deze grote vogels. Waar er veel bijeen zitten ontstaat wel een ruzie, zo ook op het Beleven. De blauwe reiger broedt van februari tot in juni. De broedduur bedraagt ongeveer 23 tot 28 dagen. Zowel het mannetje als het vrouwtje broeden de eieren uit, vanaf het eerste ei. Mogelijk werd het te druk om een veilige omgeving rond een nest te behouden.


De vogel is een solitaire soort, maar broedt in grotere of kleinere kolonies. De nesten worden hoog in de bomen gebouwd. Ze zijn vrij groot en plat en bestaan uit takken, gevoerd met takjes, gras en veertjes. Een enkele keer wordt in struiken of riet gebroed. De vrouwtjes produceren een enkel legsel per jaar, gewoonlijk bestaande uit 3 tot 5 eieren, zelden 6. De eieren zijn ongevlekt, blauwgroen en zonder glans. Ze zijn gemiddeld 60 bij 43 mm groot. De eieren zijn vaak bevuild.

Sinds 1963 is de blauwe reiger in Nederland volledig beschermd. Dit heeft tot een aanpassing aan de mens geleid. Bovendien worden ze steeds vaker gevoerd, waardoor ze minder gevoelig zijn voor strenge winters en steeds vroeger gaan broeden. In de steden is dat soms al eind januari. In de jaren zestig werden ook beschermingsmaatregelen van kracht in Engeland en Duitsland, in de jaren zeventig in Frankrijk en België.