Omstreeks 1960 werd een groot deel van het stroomdal sterk aangetast door kanalisatie van de beek, een lot wat deze stroomopwaarts tot tegenaan Middelbeers trof. Vanaf 2005 is men met beekherstel begonnen ter hoogte van het Beersbroek, waarbij een meanderende loop werd uitgegraven. Hier werd ook een overstromingsgebied aangelegd. In het najaar van 2021 is de beek weer heringericht tot de beek die het voor 1960 was.
De Groote Beerze is een beek in de Nederlandse provincie Noord-Brabant die ligt in het stroomgebied van waterschap De Dommel. Vanaf Hapert en Bladel tot de samenvoeging met de Kleine Beerze hoort de Groote Beerze tot het Natura 2000 gebied Kempenland-West, vooral wegens het voorkomen van de Drijvende waterweegbree. De naam Beerze werd al in 1545 gebruikt door keizer Karel V en is vermoedelijk afgeleid van berne (bron) of barne (branden). Barne verwijst naar de aanwezigheid van veen (turf), dat vroeger dienstdeed als brandstof voor de kachel. Het veen werd gevormd in de laaggelegen gebieden rond de beek.
De Groote Beerze ontspringt in de gemeente Lommel, in het gebied Blekerheide. Vandaar stroomt ze als Aa of Goorloop in noordelijke richting, waar ze de Nederlandse grens overschrijdt in de gemeente Bergeijk, niet ver van de Stevensbergen. Ze loopt door Boswachterij De Kempen, raakt nog eenmaal de Belgische grens bij Grenspaal 197 en stroomt dan langs Bladel. Bij Hapert voegt het Dalemstroompje zich bij de beek die voortaan Groote Beerze gaat heten.
Ten zuiden van Casteren komt het Wagenbroeks Loopje in de beek uit, die vervolgens omgeven wordt door het natuurgebied Dal van de Groote Beerze, en hierna stroomt de beek langs de Neterselse Heide en de Landschotse Heide in de gemeente Oirschot via de Aardbossen. Ten noorden van Westelbeers begint een omleidingskanaal, terwijl de oorspronkelijke loop zich voor het eerst meanderend voortzet langs Middelbeers. Waar het beekje het Landgoed Baest binnenstroomt wordt het omleidingskanaal gekruist. De Groote Beerze stroomt langs het landhuis om een paar honderd meter ten noorden daarvan samen te komen met de Kleine Beerze, waarna de stroom zich als Beerze voortzet.
zondag 27 februari 2022
donderdag 24 februari 2022
Het Waterhoen roept met een korte 'kuurruk'
Het waterhoen (Gallinula chloropus) is een vogel uit de familie van de rallen. In het grootste deel van Europa komen waterhoentjes het hele jaar door voor. Zo ook in ons land. In Europees Rusland zijn de dieren alleen in de zomer aan te treffen. In het uiterste noorden komen de dieren helemaal niet voor.
Het Waterhoen roept met een korte 'kuurruk'
Het waterhoen is donker van kleur met een rode snavel met gele punt en een rood blesje op het voorhoofd. Op de flanken hebben ze witte strepen. In tegenstelling tot meerkoeten beschikken ze niet over grijze zwemvliespoten maar over lange, groene tenen. Het voedsel van het waterhoen bestaat uit waterplanten, grassen, insecten, spinnen en kikkervisjes. Waterhoentjes zijn schuwe vogels en komen in veel kleinere aantallen voor dan meerkoeten. Zelden ziet men groepen groter dan twintig exemplaren. De meeste waterhoentjes blijven jaarrond in Nederland. Met name in strenge winters komen er ook wintergasten uit Duitsland en Denemarken.
Waterhoentjes zijn donker van kleur met een rode snavel en een rood blesje op het voorhoofd. De punt van de snavel is geel van kleur. Op de flanken hebben ze witte strepen. In tegenstelling tot meerkoeten beschikken ze niet over zwemvliespoten. Met hun lange, groene tenen foerageren ze dan ook regelmatig op de oever. Mannetjes en vrouwtjes zien er ongeveer hetzelfde uit en verschillen alleen in lengte en gewicht. De lichaamslengte bedraagt 32 tot 35 cm en het gewicht 175 tot 500 gram.
Het waterhoen voedt zich met waterplanten, grassen, insecten en kikkervisjes. Maar ook is het dier niet schuw van een visje. Met zijn puntige snavel prikt hij het visje aan stukken, eet er zelf van en deelt het aan zijn kuikens. Het hele jaar is de korte 'kuurruk' te horen.
Het Waterhoen roept met een korte 'kuurruk'
Het waterhoen is donker van kleur met een rode snavel met gele punt en een rood blesje op het voorhoofd. Op de flanken hebben ze witte strepen. In tegenstelling tot meerkoeten beschikken ze niet over grijze zwemvliespoten maar over lange, groene tenen. Het voedsel van het waterhoen bestaat uit waterplanten, grassen, insecten, spinnen en kikkervisjes. Waterhoentjes zijn schuwe vogels en komen in veel kleinere aantallen voor dan meerkoeten. Zelden ziet men groepen groter dan twintig exemplaren. De meeste waterhoentjes blijven jaarrond in Nederland. Met name in strenge winters komen er ook wintergasten uit Duitsland en Denemarken.
Waterhoentjes zijn donker van kleur met een rode snavel en een rood blesje op het voorhoofd. De punt van de snavel is geel van kleur. Op de flanken hebben ze witte strepen. In tegenstelling tot meerkoeten beschikken ze niet over zwemvliespoten. Met hun lange, groene tenen foerageren ze dan ook regelmatig op de oever. Mannetjes en vrouwtjes zien er ongeveer hetzelfde uit en verschillen alleen in lengte en gewicht. De lichaamslengte bedraagt 32 tot 35 cm en het gewicht 175 tot 500 gram.
Het waterhoen voedt zich met waterplanten, grassen, insecten en kikkervisjes. Maar ook is het dier niet schuw van een visje. Met zijn puntige snavel prikt hij het visje aan stukken, eet er zelf van en deelt het aan zijn kuikens. Het hele jaar is de korte 'kuurruk' te horen.
woensdag 23 februari 2022
Dodaars zoekt een nestplaats in de rietkraag
De Dodaars maakt een drijvend nest. Vaak is dat nest vastgemaakt aan rietstengels in de rietkraag, maar dan wel op een manier zodat het nest met het dalen of stijgen van het water mee kan bewegen. De Dodaars broedt in water- en vegetatierijke gebieden zoals moerassen, vennen, duinmeren, plassen en kreken. Er moeten beschutte plekken zijn voor het nest, met een rijke vegetatie onder en boven het water en voldoende voedselaanbod.
De Dodaars zoekt een nestplaats in de rietkraag
De Dodaars broedt globaal van april tot in augustus. Ze hebben één tot twee, soms drie legsels met gemiddeld 4-6 eieren, die met interval van 1-2 dagen worden gelegd. De broedduur is 20-21 dagen. Het nest is een drijvend platform dat van allerlei plantaardig materiaal wordt gemaakt, en aan de onderwatervegetatie wordt gefixeerd. De jongen kunnen na 44-48 dagen vliegen.
Tot het hoofdzakelijk behoren insecten en larven, schelp- en schaaldieren, larven van amfibieën en kleine visjes van 5-7 cm. Ze duiken voor het voedsel tot een diepte van ongeveer 2 meter. Ze halen ook voedsel van het wateroppervlak.
De Dodaars zoekt een nestplaats in de rietkraag
De Dodaars broedt globaal van april tot in augustus. Ze hebben één tot twee, soms drie legsels met gemiddeld 4-6 eieren, die met interval van 1-2 dagen worden gelegd. De broedduur is 20-21 dagen. Het nest is een drijvend platform dat van allerlei plantaardig materiaal wordt gemaakt, en aan de onderwatervegetatie wordt gefixeerd. De jongen kunnen na 44-48 dagen vliegen.
Tot het hoofdzakelijk behoren insecten en larven, schelp- en schaaldieren, larven van amfibieën en kleine visjes van 5-7 cm. Ze duiken voor het voedsel tot een diepte van ongeveer 2 meter. Ze halen ook voedsel van het wateroppervlak.
Meerkoet eet van de oevervegetatie
Er is bijna geen park, kanaal of sloot in Nederland zonder meerkoeten. Zoet water met wat oevervegetatie is genoeg. De aantallen in Laag Nederland zijn het grootst. Tijdens het broedseizoen verdedigen deze zwarte vogels hun territorium fel tegen indringers.
Meerkoet eet van de oevervegetatie
De Meerkoet broedt meestal in oevervegetatie van zoet water. Meerkoeten zoeken hun voedsel op en rond het water. Van oorsprong zijn meerkoeten echte moerasvogels, met poten die bijzonder geschikt zijn om te lopen op drijvende vegetatie (kraggen) en wortels van riet- en lismoerassen. Maar is eigenlijk overal te vinden waar zoet water is: beken en meren, moeras, oevers, park en tuin, plassen, rietland en ruigte, rivieren, stedelijk gebied en (verlandende) vennen. Vooral gebieden met een flinke oeverbegroeiing zijn populair, hoewel de soort zich ook kan redden in vaarten met een beschoeiing en nauwelijks waterplanten. In de winter kunnen groepen - die kunnen bestaan uit vele honderden vogels - in weilanden verblijven.
Meerkoeten eten vooral waterplanten, maar zeker wanneer er jongen zijn worden ook allerlei waterdieren, zoals slakken en visjes, gevoerd en gegeten. Ze eten ook gras. Meerkoeten duiken vaak naar voedsel. Door de grote hoeveelheid lucht in hun verenkleed moeten ze moeite doen om onder water te komen; ze maken een sprongetje bij het duiken en zetten zich met hun poten af. Kort daarop komen ze als een grote dobber weer naar boven.
De Meerkoet heeft een (zelden twee); max. drie vervolglegsels per broedseizoen. Eileg van half maart tot in juli, met piek eind april en in mei. Meestal 5-10 eieren. Broedduur: 21-25 dagen. Broedt meestal in de buurt van andere meerkoeten, die fel bevochten worden om de beste plek. Maar meerkoeten broeden ook wel onbeschut op een drijvend nest. Nesten meestal van riet en wortels, gebruikt in de stad ook allerlei afval. De jongen verlaten het nest meteen en kunnen na zo'n 56 dagen vliegen. Worden in het begin gevoerd door de ouders.
Meerkoet eet van de oevervegetatie
De Meerkoet broedt meestal in oevervegetatie van zoet water. Meerkoeten zoeken hun voedsel op en rond het water. Van oorsprong zijn meerkoeten echte moerasvogels, met poten die bijzonder geschikt zijn om te lopen op drijvende vegetatie (kraggen) en wortels van riet- en lismoerassen. Maar is eigenlijk overal te vinden waar zoet water is: beken en meren, moeras, oevers, park en tuin, plassen, rietland en ruigte, rivieren, stedelijk gebied en (verlandende) vennen. Vooral gebieden met een flinke oeverbegroeiing zijn populair, hoewel de soort zich ook kan redden in vaarten met een beschoeiing en nauwelijks waterplanten. In de winter kunnen groepen - die kunnen bestaan uit vele honderden vogels - in weilanden verblijven.
Meerkoeten eten vooral waterplanten, maar zeker wanneer er jongen zijn worden ook allerlei waterdieren, zoals slakken en visjes, gevoerd en gegeten. Ze eten ook gras. Meerkoeten duiken vaak naar voedsel. Door de grote hoeveelheid lucht in hun verenkleed moeten ze moeite doen om onder water te komen; ze maken een sprongetje bij het duiken en zetten zich met hun poten af. Kort daarop komen ze als een grote dobber weer naar boven.
De Meerkoet heeft een (zelden twee); max. drie vervolglegsels per broedseizoen. Eileg van half maart tot in juli, met piek eind april en in mei. Meestal 5-10 eieren. Broedduur: 21-25 dagen. Broedt meestal in de buurt van andere meerkoeten, die fel bevochten worden om de beste plek. Maar meerkoeten broeden ook wel onbeschut op een drijvend nest. Nesten meestal van riet en wortels, gebruikt in de stad ook allerlei afval. De jongen verlaten het nest meteen en kunnen na zo'n 56 dagen vliegen. Worden in het begin gevoerd door de ouders.
Abonneren op:
Posts (Atom)