Vandaag zag ik de merels druk in de weer. Of ze zijn weer bezig met het bouwen van een nieuw nest, na een eerste - mogelijk mislukt nest - of ze zijn gewoon laat voor de gewoontes van een Merel. De vrouw had mos tussen haar snavel om het nest nog wat mee te bekleden. Laat hopen dat dit jaar goed gaat met de merel. De Merel is de vogel waar dit jaar een groot onderzoek naar wordt opgezet. Daarom is 2022 uitgeroepen tot "Jaar van de Merel".
Stichting Sovon Vogelonderzoek Nederland en Vogelbescherming Nederland kiezen ieder jaar een vogelsoort waar we ons in het bijzonder op richten. Dat doen ze door middel van (publieks)onderzoek en door meer aandacht voor deze vogel te vragen. Dit jaar gaat het anders. Ze hebben zich in 2021 al voorbereid op 2022: het Jaar van de Merel. Wie kent hem niet, met zijn zwarte pak en parmantige gele snavel: het merelmannetje dat vanaf de hoek van het dak zijn dromerige lied zingt. De merel is de meest algemene vogelsoort van ons land en een bekende tuinvogel. Maar vanaf 2016 is er iets opmerkelijks aan de hand: de aantallen duikelen omlaag. In een paar jaar tijd is bijna 30 procent van de broedende merels verdwenen, zo blijkt uit landelijke tellingen. Veel vogelliefhebbers zagen ‘hun eigen’ merel ineens niet meer.
Sovon en Vogelbescherming willen graag weten waar deze forse afname door komt. We vermoeden dat het usutu-virus veel slachtoffers heeft gemaakt. Is dat inderdaad zo en maakt het virus nog steeds slachtoffers? Of brengen merels ook minder jongen groot? En zijn er verschillen tussen de aantallen merels binnen en buiten het stedelijke gebied? Hoe algemeen deze soort ook is, ze blijken heel veel dingen nog niet te weten. Daarom duiken ze in het Jaar van de Merel dieper in de aantalsontwikkeling en het broedsucces van de soort.
In 2022 staat een groot publieksonderzoek op het programma. Merels zijn niet zo dol op stenen en tegels. Maar ook 2021 stond in het teken van deze soort. Dat jaar gebruikte ze al om vooronderzoek te doen. De focus lag vooral op nestonderzoek. Hiermee wilde ze onderzoeksvragen opstellen die ze dit jaar (2022) samen met een brede groep belangstellenden kunnen beantwoorden. Kijk op www.jaarvandemerel.nl hoe u dit jaar mee kunt doen.
Hopelijk draagt het onderzoek in het Jaar van de Merel bij aan een beter begrip van de kwaliteit van onze wijken, tuinen, parken en plantsoenen voor de vogels met wie we onze steden en dorpen delen!
maandag 11 april 2022
vrijdag 8 april 2022
Zonder riet ook geen Rietgors
Als je een Rietgors (Emberiza schoeniclus) wilt zie en horen moet je naar gebieden veel riet groeit. Dat kan aan de waterkant van beken, rivieren en kanalen zijn, maar ook aan de waterkant van vennen en moerassen. Een van de plaatsen waar veel Rietgorzen voorkomen is het Diessens Broek. Het Diessens broek is een vogelrijk gebied aan de weeszijde van het Wilhelminakanaal tussen het Brabantse Diessen en Moergestel.
Het is een middelgrote Gors, 13,5-15,5 cm lang met een kleine en donkere snavel. Het verenkleed is grotendeels bruin en beigewit met donkere strepen en witte staartzijden. Mannen zijn in de zomer goed te herkennen aan de zwarte kop en keel met de zuiver witte halsband en een smalle witte snorstreep. In de zomer eten ze voornamelijk insecten en spinnen. Vanaf de late zomer worden zaden belangrijk. Rietgorzen zoeken laag in de struiken of op de grond naar eten. Ze zoeken ook naar voedsel in open weilanden, liefst in de nabijheid van water en riet. Al in maart beklimmen de mannetjes rietgors een hoge rietstengel om een eenvoudig liedje te zingen. Ze bezetten daarmee hun territorium en proberen een vrouwtje te lokken. De Rietgors heeft een variabele zang, het bestaat meestal maar uit een paar metaalachtige noten. Roep een dalend "tsieeuw…", in vlucht daarnaast een schor roepje. Ze zingen vooral in de vroege ochtend, soms opleving zang in avond.
Rietgorzen bewonen een waaier van landschappen, van moerassen tot kwelders en boerenland met door riet omzoomde sloten en kanalen. De broedperiode is van half maart t/m half juli. Het nest van de Rietgors wordt door het vrouwtje in een pol op de grond gebouwd. Het wordt van droog gras gemaakt en bekleed met haar. Eén tot twee broedsels per jaar, doorgaans 3-6 eieren, broedduur 12-15 dagen, nestjongeperiode 8-12 dagen, familie blijft tot drie weken na uitvliegen bijeen. Rietgorzen zijn aan het einde van het 1e levensjaar geslachtsrijp. Ze gaan een, meestal monogame, verbinding aan voor 1 seizoen. Hoewel Reitgorsen zaadeters zijn, bestaat het voedsel tijdens het broedseizoen vooral uit ongewervelden als langpootmuggen, springstaarten, eendagsvliegen, haften, steenvliegen, libellen, juffers, diverse ongevleugelde insecten en spinnen. De jongen worden hiermee in aanvang gevoerd. Nadien krijgen ze steeds meer zaden vanuit de slecht ontwikkelde krop.
In het winterhalfjaar verblijven vrij kleine en wisselende aantallen Rietgorzen in ons land. Het is een mix van eigen broedvogels (deels standvogel, deels trekker) en Noord-Europese overwinteraars. Op voedselrijke plekken, zoals verruigde moerassen, kruidenrijke akkers of vergraste heide, kunnen zich groepjes van enkele tientallen of meer ophouden. Doortrek in het najaar wordt geconstateerd tussen half september en half november, met de piek in de tweede helft van oktober. De voorjaarstrek speelt zich grotendeels af in maart en de eerste helft van april.
De Rietgors is beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming. Voor deze soort zijn in Nederland geen Natura 2000-gebieden aangewezen. De Staat van Instandhouding van de Rietgors als broedvogel in Nederland is gunstig.
Het is een middelgrote Gors, 13,5-15,5 cm lang met een kleine en donkere snavel. Het verenkleed is grotendeels bruin en beigewit met donkere strepen en witte staartzijden. Mannen zijn in de zomer goed te herkennen aan de zwarte kop en keel met de zuiver witte halsband en een smalle witte snorstreep. In de zomer eten ze voornamelijk insecten en spinnen. Vanaf de late zomer worden zaden belangrijk. Rietgorzen zoeken laag in de struiken of op de grond naar eten. Ze zoeken ook naar voedsel in open weilanden, liefst in de nabijheid van water en riet. Al in maart beklimmen de mannetjes rietgors een hoge rietstengel om een eenvoudig liedje te zingen. Ze bezetten daarmee hun territorium en proberen een vrouwtje te lokken. De Rietgors heeft een variabele zang, het bestaat meestal maar uit een paar metaalachtige noten. Roep een dalend "tsieeuw…", in vlucht daarnaast een schor roepje. Ze zingen vooral in de vroege ochtend, soms opleving zang in avond.
Rietgorzen bewonen een waaier van landschappen, van moerassen tot kwelders en boerenland met door riet omzoomde sloten en kanalen. De broedperiode is van half maart t/m half juli. Het nest van de Rietgors wordt door het vrouwtje in een pol op de grond gebouwd. Het wordt van droog gras gemaakt en bekleed met haar. Eén tot twee broedsels per jaar, doorgaans 3-6 eieren, broedduur 12-15 dagen, nestjongeperiode 8-12 dagen, familie blijft tot drie weken na uitvliegen bijeen. Rietgorzen zijn aan het einde van het 1e levensjaar geslachtsrijp. Ze gaan een, meestal monogame, verbinding aan voor 1 seizoen. Hoewel Reitgorsen zaadeters zijn, bestaat het voedsel tijdens het broedseizoen vooral uit ongewervelden als langpootmuggen, springstaarten, eendagsvliegen, haften, steenvliegen, libellen, juffers, diverse ongevleugelde insecten en spinnen. De jongen worden hiermee in aanvang gevoerd. Nadien krijgen ze steeds meer zaden vanuit de slecht ontwikkelde krop.
In het winterhalfjaar verblijven vrij kleine en wisselende aantallen Rietgorzen in ons land. Het is een mix van eigen broedvogels (deels standvogel, deels trekker) en Noord-Europese overwinteraars. Op voedselrijke plekken, zoals verruigde moerassen, kruidenrijke akkers of vergraste heide, kunnen zich groepjes van enkele tientallen of meer ophouden. Doortrek in het najaar wordt geconstateerd tussen half september en half november, met de piek in de tweede helft van oktober. De voorjaarstrek speelt zich grotendeels af in maart en de eerste helft van april.
De Rietgors is beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Wet natuurbescherming. Voor deze soort zijn in Nederland geen Natura 2000-gebieden aangewezen. De Staat van Instandhouding van de Rietgors als broedvogel in Nederland is gunstig.
woensdag 6 april 2022
Knobbelzwanen druk bezig met nestbouw
Vanmorgen was ik na 3 jaar afwezigheid afgereisd naar de Kattesteertvijver aan de zuidkant van het Prinsenpark in het Belgische Retie. Dat komt door de Covid-19 pandemie. Niet alleen omdat het risico op besmetting lange tijd erg risicovol was, maar België is ook een tijd in lockdown geweest. Als u ook en bezoekje wilt brengen, moet je rekening houden met wegwerkzaamheden, waarbij vanuit Retie richting Geel de weg is omgeleid. Terug naar Retie is wel mogelijk zonder omleiding.
Eenmaal aangekomen ging ik eerst even met de verrekijker kijken of ik de moeite moest getroosten om de fotocamera uit de auto te nemen. Het was bewolkt, en het waaide flink. De vogels zitten hier wel dichterbij als in Reusel op het Beleven. Bovendien is er op de bezoekersplaats een half open kijkhut, met doorlopende kijkwanden. De vogels op het water lijken zich niet druk te maken om de bezoekers die zich in de kijkhut en achter de kijkwand ophouden. Ik was nog maar even aan het rondkijken toen ik een koppel Knobbelzwanen bezig zag met het in gereedheid brengen van een nestplaats. Het vrouwtje was rietstengels aan het verzamelen en maakte daar een beging mee wat waarschijnlijk een nest moet worden.
De half open vogelkijkhut - kijkwand ligt op het eilandje van de Kattesteertvijver langs de Koninghoefsedijk, een Kasseienweg van de Geelseweg naar Geel Ten Aard. Het is meer een weg voor de landbouw. De kasseien liggen er zo slecht dat er meer door de berm gereden wordt. De berm is daarom halfverhard met gebroken puin. De auto dient bij de Kattesteertvijver in de wegberm geparkeerd te worden. Om bij de spottersplaats te komen is er een loopbrug aangelegd met aan de zijkanten gesloten wanden. Dit om te verhindert dat de vogels worden opgejaagd tijdens het oversteken van de brug. Hier is tijdens het broedseizoen de IJsvogel te zien. Verder de diverse zwanen, Krooneend, Wilde eend, Fuut, Dodaars, Blauwe reiger, Zilverreiger, Meerkoet, Grauwe gans en zo meer...
Knobbelzwanen (Cygnus olor) zijn sierlijke witte watervogel. Geheel wit verenkleed. Poten zwart of vleeskleurig, gekweekte vorm). Jonge knobbelzwanen komen in twee varianten voor: met een bruin verenkleed en een wit verenkleed. Brede, platte, oranje snavel. Het mannetje is groter; hij heeft ook een zwaardere nek. Het mannetje heeft een knobbel bovenop de snavel; bij vrouwtjes ontbreekt die. In de lente zwelt die knobbel aan en wordt de snavel roder. Ze hebben een opvallend geluid van vleugelslag, uniek voor deze soort. Verder nogal zwijgzaam, heeft knorrende roep.
Knobbelzwanen broeden van april t/m eind augustus. Een nest per jaar met 5-7 eieren. De vrouw broedt die uit in 36 dagen. Langs de oever of soms in het riet zit de knobbelzwaan op een groot nest van takken, riet en plantaardig materiaal dat door de man fel wordt verdedigd met de kop naar achter, opgezette vleugels en een sissend geluid. Ze broeden vanaf het derde of vierde jaar. Beide partners van een broedpaar zijn elkaar meestal een leven lang trouw. Sterft een van beide vogels, dan zoekt de ander soms pas na enkele jaren een nieuwe partner.
De knobbelzwaan kan een spanwijdte van 2,40 meter bereiken. Hij is 140 tot 160 cm lang. Met zijn lange nek kan hij ver onder water reiken. Met 10 tot 12 kg behoort de knobbelzwaan tot de zwaarste vliegende dieren. Hij is ongeveer even groot als de wilde zwaan, maar veel groter dan de kleine zwaan. De knobbelzwaan is wit en heeft een oranjerode snavel. De kop en hals hebben een lichtgele schijn. De onbevederde huid aan de snavelwortel en om het oog, onder de voorhoofdsknobbel, is zwart. Ook de poten zijn zwart. De ruglijn is sterk gebogen. De hals wordt bijna altijd in een S-vorm gehouden. Die hals heeft het grootste aantal halswervels van alle vogels. De kop wordt altijd iets omlaag gebogen. De snavel is relatief breed. Er is weinig maar duidelijke seksuele dimorfie. Het mannetje is groter; hij heeft ook een zwaardere nek. Het mannetje heeft een knobbel bovenop de snavel; bij vrouwtjes ontbreekt die. In de lente zwelt die knobbel aan en wordt de snavel roder.
Eenmaal aangekomen ging ik eerst even met de verrekijker kijken of ik de moeite moest getroosten om de fotocamera uit de auto te nemen. Het was bewolkt, en het waaide flink. De vogels zitten hier wel dichterbij als in Reusel op het Beleven. Bovendien is er op de bezoekersplaats een half open kijkhut, met doorlopende kijkwanden. De vogels op het water lijken zich niet druk te maken om de bezoekers die zich in de kijkhut en achter de kijkwand ophouden. Ik was nog maar even aan het rondkijken toen ik een koppel Knobbelzwanen bezig zag met het in gereedheid brengen van een nestplaats. Het vrouwtje was rietstengels aan het verzamelen en maakte daar een beging mee wat waarschijnlijk een nest moet worden.
De half open vogelkijkhut - kijkwand ligt op het eilandje van de Kattesteertvijver langs de Koninghoefsedijk, een Kasseienweg van de Geelseweg naar Geel Ten Aard. Het is meer een weg voor de landbouw. De kasseien liggen er zo slecht dat er meer door de berm gereden wordt. De berm is daarom halfverhard met gebroken puin. De auto dient bij de Kattesteertvijver in de wegberm geparkeerd te worden. Om bij de spottersplaats te komen is er een loopbrug aangelegd met aan de zijkanten gesloten wanden. Dit om te verhindert dat de vogels worden opgejaagd tijdens het oversteken van de brug. Hier is tijdens het broedseizoen de IJsvogel te zien. Verder de diverse zwanen, Krooneend, Wilde eend, Fuut, Dodaars, Blauwe reiger, Zilverreiger, Meerkoet, Grauwe gans en zo meer...
Knobbelzwanen (Cygnus olor) zijn sierlijke witte watervogel. Geheel wit verenkleed. Poten zwart of vleeskleurig, gekweekte vorm). Jonge knobbelzwanen komen in twee varianten voor: met een bruin verenkleed en een wit verenkleed. Brede, platte, oranje snavel. Het mannetje is groter; hij heeft ook een zwaardere nek. Het mannetje heeft een knobbel bovenop de snavel; bij vrouwtjes ontbreekt die. In de lente zwelt die knobbel aan en wordt de snavel roder. Ze hebben een opvallend geluid van vleugelslag, uniek voor deze soort. Verder nogal zwijgzaam, heeft knorrende roep.
Knobbelzwanen broeden van april t/m eind augustus. Een nest per jaar met 5-7 eieren. De vrouw broedt die uit in 36 dagen. Langs de oever of soms in het riet zit de knobbelzwaan op een groot nest van takken, riet en plantaardig materiaal dat door de man fel wordt verdedigd met de kop naar achter, opgezette vleugels en een sissend geluid. Ze broeden vanaf het derde of vierde jaar. Beide partners van een broedpaar zijn elkaar meestal een leven lang trouw. Sterft een van beide vogels, dan zoekt de ander soms pas na enkele jaren een nieuwe partner.
De knobbelzwaan kan een spanwijdte van 2,40 meter bereiken. Hij is 140 tot 160 cm lang. Met zijn lange nek kan hij ver onder water reiken. Met 10 tot 12 kg behoort de knobbelzwaan tot de zwaarste vliegende dieren. Hij is ongeveer even groot als de wilde zwaan, maar veel groter dan de kleine zwaan. De knobbelzwaan is wit en heeft een oranjerode snavel. De kop en hals hebben een lichtgele schijn. De onbevederde huid aan de snavelwortel en om het oog, onder de voorhoofdsknobbel, is zwart. Ook de poten zijn zwart. De ruglijn is sterk gebogen. De hals wordt bijna altijd in een S-vorm gehouden. Die hals heeft het grootste aantal halswervels van alle vogels. De kop wordt altijd iets omlaag gebogen. De snavel is relatief breed. Er is weinig maar duidelijke seksuele dimorfie. Het mannetje is groter; hij heeft ook een zwaardere nek. Het mannetje heeft een knobbel bovenop de snavel; bij vrouwtjes ontbreekt die. In de lente zwelt die knobbel aan en wordt de snavel roder.
vrijdag 1 april 2022
Sneeuwlandschap op 1 april 2022
Maart roert zijn staart, april doet wat hij wil. April leek niet te kunnen wachten. Het was nog maar net middernacht of het begon bij ons te sneeuwen. Vanmorgen lag er nog een dun laagje. Na enkele uren was al dat moois weer weggesmolten. De lente keerde weer terug. De regionale verschillen zijn heel groot, Maar bij ons in de Brabantse Kempen heeft het weer gesneeuwd. In het noorden van het land lag er plaatselijk 5 tot 10 cm.
Ook in Brabant had het op 1 april gesneeuwd. Het gevecht tussen de zachte en koude lucht vond boven de provincie plaats. Zit je net aan de warme kant, dan was de sneeuwval net niet intens genoeg om te blijven liggen of valt de neerslag in de vorm van natte sneeuw of regen. Dan blijft natuurlijk niks liggen. Op sommige plaatsen wint de koude lucht het echter wel. Daar sneeuwt het flink door en heb je wel een witte wereld. Dus als je 's morgens de gordijnen thuis opendoet, is het een beetje een verrassing of er wat sneeuw ligt of niet. Maar op de plaatsen waar wat ligt, ligt ook best een mooi laagje.
De verbindingswegen zijn schoon, maar daarnaast is de sneeuw nog even blijven liggen. Op deze foto's zie de Neterselse Heide, en de weg van Netersel naar Westelbeers. Het oosten en zuidoosten van ons land kunnen vandaag nog lang te maken houden met van tijd tot tijd sneeuw. Elders wordt het geleidelijk droog en zal de sneeuw smelten. Vanmiddag wordt het 2 graden, en op de plaatsen waar de zon doorbreekt zelfs 6 graden. Vannacht koelt het af tot -1 °C en is de wind matig, windkracht 3. Morgenochtend begint de dag zonnig en is de temperatuur ongeveer 2 °C.
De witte bloesem in de tuinen waren niet meer te herkennen. Alles was wit geworden. Gelukkig was het niet zo koud. Als het ook nog hard was gaan vriezen zouden de boomknoppen kapot kunnen vriezen. Vooral voor fruittelers zou dat een enorme schade kunnen veroorzaken.
UPDATE 3 april: In de nacht van 2 op 3 april werd het record koud. Met name in Eindhoven. Daar daalde de temperatuur naar -5,9 graden. Een dik dagrecord voor 2 april en een evenaring van de koudste aprilnacht sinds het begin van de metingen. Op 2 april 1996 werd het daar ook -5,9 graden. Gelukkig werd het bij het opkomen van een bewolkingsloze zon weer snel warmer. De temperatuur loopt bij deze afwisseling van zon en wolkenvelden op tot 7 of 8 graden 's middags.
Ook in Brabant had het op 1 april gesneeuwd. Het gevecht tussen de zachte en koude lucht vond boven de provincie plaats. Zit je net aan de warme kant, dan was de sneeuwval net niet intens genoeg om te blijven liggen of valt de neerslag in de vorm van natte sneeuw of regen. Dan blijft natuurlijk niks liggen. Op sommige plaatsen wint de koude lucht het echter wel. Daar sneeuwt het flink door en heb je wel een witte wereld. Dus als je 's morgens de gordijnen thuis opendoet, is het een beetje een verrassing of er wat sneeuw ligt of niet. Maar op de plaatsen waar wat ligt, ligt ook best een mooi laagje.
De verbindingswegen zijn schoon, maar daarnaast is de sneeuw nog even blijven liggen. Op deze foto's zie de Neterselse Heide, en de weg van Netersel naar Westelbeers. Het oosten en zuidoosten van ons land kunnen vandaag nog lang te maken houden met van tijd tot tijd sneeuw. Elders wordt het geleidelijk droog en zal de sneeuw smelten. Vanmiddag wordt het 2 graden, en op de plaatsen waar de zon doorbreekt zelfs 6 graden. Vannacht koelt het af tot -1 °C en is de wind matig, windkracht 3. Morgenochtend begint de dag zonnig en is de temperatuur ongeveer 2 °C.
De witte bloesem in de tuinen waren niet meer te herkennen. Alles was wit geworden. Gelukkig was het niet zo koud. Als het ook nog hard was gaan vriezen zouden de boomknoppen kapot kunnen vriezen. Vooral voor fruittelers zou dat een enorme schade kunnen veroorzaken.
UPDATE 3 april: In de nacht van 2 op 3 april werd het record koud. Met name in Eindhoven. Daar daalde de temperatuur naar -5,9 graden. Een dik dagrecord voor 2 april en een evenaring van de koudste aprilnacht sinds het begin van de metingen. Op 2 april 1996 werd het daar ook -5,9 graden. Gelukkig werd het bij het opkomen van een bewolkingsloze zon weer snel warmer. De temperatuur loopt bij deze afwisseling van zon en wolkenvelden op tot 7 of 8 graden 's middags.
Abonneren op:
Posts (Atom)