zondag 3 juni 2018

Vingerhoedskruid in een wilde vorm

Op de plaatsen waar in de winter van 2016 - 2017 op het Beleven in Reusel flink gesnoeid is groeit nu Vingerhoedskruid. De plant komt in West- en Midden-Europa in berg- of heuvelachtige, boschrijke streken voor. Zij wordt ook als sierplant gekweekt en is op enkele plaatsen verwilderd. Zij is bij ons vrij zeldzaam, doch op sommige plaatsen is zij zeker ook wild aangetroffen.

Heel opvallend zijn de trossen met een weelde aan vele bloemen, dichtbij elkaar. (foto's: Nikon D300)

Vingerhoedskruid (Digitalis purpurea), ook wel gewoon vingerhoedskruid genoemd, is een tweejarige of meerjarige plant. De plant komt in Nederland en België algemeen voor. Hij wordt ook wel in siertuinen gebruikt en zaait zich gemakkelijk uit. Vingerhoedskruid wordt 30-150 cm groot. De plant heeft eironde tot lancetvormige bladeren, die aan de onderzijde grijs behaard zijn. De stengel en bloemstelen zijn bezet met korte, zachte haren. Vingerhoedskruid bloeit van mei tot oktober met meestal donkerrood gevlekte bloemen. Er zijn drie kleuren: donkerrood (hardroze), lichtpaars en wit. Om de rode vlek zit een witte rand. De witbloeiende planten worden soms als aparte soort gezien. De bloemkroon is 4-5 cm lang. De hommels moeten in de bloemkroon kruipen om bij de nectar te kunnen komen. Soms wordt echter een gaatje in de bloemkroon gebeten om zo bij de nectar te kunnen komen. Een plant kan meer dan negentig bloemen hebben en duizenden zaadjes.


De plant komt in heel Europa voor en is daarbuiten bij geschikte omstandigheden vaak ingeburgerd. Geschikt biotoop is gekapte plekken in het bos en andere omgewerkte, een deel van de dag beschaduwde lichte gronden. Of het om wilde planten of verwilderde tuinplanten gaat is eigenlijk niet vast te stellen. In Nederlands Limburg en in de Achterhoek zou de wilde plant nog te vinden zijn. De witbloemige variant Digitalis purpurea 'Alba' heeft op de Nederlandse Rode lijst van planten gestaan.

Bloedrode heidelibel en Gewone oeverlibel

Vanmorgen concentreerde ik mij op Libellen en andere insecten. Zo zag ik o.a. de Bloedrode heidelibel en de Gewone oeverlibel. Twee totaal verschillende Libellen.

De Bloedrode heidelibel (vrouwtje). (foto's: Nikon D300)

De Bloedrode heidelibel (Sympetrum sanguineum) is veruit de algemeenste ‘rode’ heidelibel met geheel zwarte poten. De zeer zeldzame Kempense heidelibel heeft ook zwarte poten, maar een anders gevormd achterlijf, met druppelvormige vlekjes. Vrouwtjes zwarte heidelibel kunnen op het eerste gezicht lijken op vrouwtjes of jonge mannetjes bloedrode heidelibel, maar zijn altijd herkenbaar aan de tekening op de zijkant van het borststuk: een brede zwarte band met drie gele vlekjes. Bruinrode en steenrode heidelibellen zijn iets groter, hebben gele strepen op de poten en een andere achterlijfsvorm (mannetjes). Mannetjes vuurlibel kunnen op uitgekleurde mannetjes bloedrode heidelibel lijken, maar hebben een breed en afgeplat achterlijf, rode poten, deels rode vleugeladers, blauwgrijze onderkant van de ogen en grotere gele vlekken in de achtervleugels.


De Bloedrode heidelibel meet 34-39 mm. De poten zijn geheel zwart. In de basis van de vleugels zit een kleine gele vlek: duidelijk kleiner dan bij de geelvlekheidelibel, maar groter dan bij de bruinrode en steenrode heidelibel. Mannetje: achterlijf met duidelijke knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Achterlijf in zijaanzicht met zwarte streepjes, soms met elkaar verbonden. Uitgekleurde mannetjes hebben een bloedrood achterlijf, een vrij egaal roodbruin borststuk, roodbruine ogen, een rood gezicht en roodbruine pterostigma’s. Jonge mannetjes zien eruit als vrouwtjes. Vrouwtje: achterlijf en voorhoofd geel, later bruin. Achterlijf in zijaanzicht met zwarte streepjes, die soms een zwarte lijn vormen. Bij oude vrouwtjes raakt de onderkant van het achterlijf grijs bestoven. Pterostigma’s bruin.

De vorm van de hamulus (mannetjes) en legschede (vrouwtjes) kan uitsluitsel geven bij het determineren van heidelibellen. Het dier moet hiervoor echter worden gevangen en met een loep worden bekeken.



< Gewone oeverlibel >

De Gewone oeverlibel (vrouwtje).

De Gewone oeverlibel (Orthetrum cancellatum) is een echte libel uit de familie van de korenbouten (Libellulidae). Het is de grootste en meest algemene oeverlibel in Nederland. De gewone oeverlibel heeft een pijlvormig achterlijf: het begint breed, eindigt in een punt en heeft rechte zijkanten. Het gezicht is geel tot bruin. De pterostigmata zijn zwart. Uitgekleurde mannetjes hebben een blauwberijpt achterlijf met een duidelijke zwarte punt. Aan de buitenranden van de segmenten staan gele streepjes, die bij oude mannetjes verdwijnen onder nog meer blauwe berijping. Het borststuk is bruin, zonder blauwe berijping. Jonge mannetjes die nog geen berijping op het achterlijf hebben, zien eruit als vrouwtjes: de grondkleur van het lichaam (zowel achterlijf als borststuk en gezicht) is geel. Op de bovenkant van het achterlijf lopen twee dikke zwarte lengtestrepen. De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 44 en 50 millimeter en de spanwijdte is 70 tot 80 mm; de larve is 19-29 mm lang. De vliegtijd van de gewone oeverlibel is van begin mei tot eind september, met de hoogste aantallen in juni, juli en de eerste helft van augustus.

De habitat van de gewone oeverlibel bestaat uit stilstaande of zwak stromende wateren, zowel met veel waterplanten als grotere meren met weinig vegetatie. De ondergrond dient liefst kaal te zijn, de waterbodem zandig of kiezelig. De soort is weinig kritisch ten aanzien van biotoop en waterkwaliteit, mits de oever enkele schaarsbegroeide plekken heeft en niet sterk beschaduwd is. In Nederland komt hij veel voor bij vijvers en plassen, maar ook bij vennen, weteringen en sloten.

zaterdag 2 juni 2018

Gewone Kameleonspin - krabspin

Vanmorgen zag ik in Netersel een Gewone Kameleonspin (Misumena vatia). Het is een van de vele krabspinnen die er bestaan. De gewone kameleonspin is een goed gecamoufleerde spin, die zijn kleur aanpast aan de omgeving om niet op te vallen en aan de vogels te ontsnappen.

De gewone kameleonspin kan veel verschillende kleuren aannemen. (foto's: Nikon Coolpix S9900)

De gewone kameleonspin behoort tot de familie van de krabspinnen. Dat zijn "afwachtende jagers" die geen web weven, maar vaak urenlang roerloos zitten te wachten tot een prooi dicht genoeg genaderd is, om dan toe te slaan en direct hun gif te injecteren. Krabspinnen maken bij het bijten kleine gaatjes in de prooi. Daardoor zuigen ze het insect leeg zodat er na de maaltijd enkel nog een leeg omhulsel overblijft.


Kameleonspinnen kunnen in kleur variëren tussen wit en geel, vandaar hun naam. De kleurverandering wordt mogelijk veroorzaakt door een vloeibaar geel pigment in de buitenste cellaag van het lichaam. In een witte omgeving wordt het gele pigment naar diepere cellagen verplaatst, zodat de binnenste laag, die gevuld is met het witte guanine, zichtbaar wordt. Als de spin lang in een witte omgeving verblijft, wordt het gele pigment op een bepaald moment afgebroken. Het zal de spin daarna relatief veel tijd kosten om weer geel te kleuren, omdat het pigment dan opnieuw aangemaakt moet worden. De kleurverandering van wit naar geel duurt dan 10 tot 25 dagen, terwijl van geel naar wit maar 6 dagen duurt. De gele pigmenten staan bekend als kynurenine en 3-hydroxykynurenine. De vrouwtjes kunnen 10 mm lang worden, terwijl de mannetjes niet langer dan 5 mm worden.

De gewone kameleonspin werd in 2006 verkozen tot 'Europese Spin van het jaar’.

vrijdag 1 juni 2018

IJsvogelstand krijgt geweldige klap

Na jaren van spectaculaire groei heeft de populatie IJsvogels in de afgelopen winter een enorme klap gekregen. Dat blijkt uit de eerste vergelijkingen tussen broedvogeltellingen in 2018 en 2017. In bijna de helft van de gebieden waarin vorig jaar nog IJsvogels werden geteld (BMP), is de soort nu verdwenen. IJsvogelkenner Jelle Harder meldt in de Gooi- en Vechtstreek zelfs een afname van 75-80%.

De ijsvogel man, statig en wakend over het nest van het ijsvogelpaar. (een van mijn foto's uit 2016)

Na écht koude winters kun je steevast een daling van het aantal broedparen van IJsvogels verwachten (o.a. '95/96, '08/09). De IJsvogel, een uitgesproken standvogel en afhankelijk van open viswater, kan erg slecht tegen een periode met vorst. Eind februari en begin maart 2018 lag veel viswater dicht en hadden de IJsvogels ook nog eens te maken met een krachtige oostenwind. Ze hebben toen massaal het loodje gelegd.

Voorlopige resultaten uit BMP-gebieden
Om gedurende het broedseizoen al een indruk te krijgen van de afname van de IJsvogel, bekeken we de resultaten uit een steekproef van BMP-gebieden waar in 2017 of 2018 tijdens minimaal drie bezoeken voor 28 mei minstens één IJsvogel werd geteld (n=97). In bijna de helft van de gebieden waarin 2017 een IJsvogel werd aangetroffen, bleek de soort in 2018 nog afwezig. Dat is een stevige indicatie voor een forse afname.

Gooi- en Vechtstreek
Minstens zo stevig is het bericht van ijsvogelexpert Jelle Harder. Hij monitort al jaren het aantal broedparen op geschikte broedplaatsen met zijn werkgroep in de Gooi- en Vechtstreek. Harder meldt een afname van 75-80%. Als dit beeld representatief is voor de rest van Nederland, dan zouden er van 1150-1350 broedparen (landelijke schatting 2016) nog maar circa 300 over zijn. Jaarlijks maakt Sovon na het broedseizoen een populatieschatting op basis van honderden gebiedstellingen.

Is dit erg?
Nee, dit gebeurt in de natuur. De IJsvogelpopulatie kan in jaren met zachte winters enorm snel groeien. Dat komt doordat ze per jaar twee of drie legsels groot kunnen brengen en héél soms zelfs vier. Dit vermogen om véél jongen te produceren zorgt voor een veerkrachtige populatie. Dat is te zien in de langjarige trend (figuur 1).