woensdag 7 december 2016

Video: Het vogeljaar 2016

Het Vogeljaar 2016 is een foto-compilatie van Jozef van der Heijden.

Een willekeurige greep uit meer dan 15.000 foto's die in 2016 zijn gemaakt in de vrije natuur. Deze serie omvat enkel vogels, wat 75% van het repertoire van het totaal gemaakte natuurfoto's.

Het vogeljaar 2016 was voor veel vogels niet het beste jaar. Door de langdurige regen in het voorjaar en de storm en hagelbuien van de maand mei heeft een groot deel van de broed uit die periode vernietigd. Twee vogelsoorten die daar het meest onder leden waren de Grutto en de Kievit.

dinsdag 6 december 2016

Spreeuwen, hoog in de boomtop

Spreeuwen nestelen in natuurlijke holtes in bomen, in nestkasten maar ook in gebouwen. Ze tasten de bodem van weilanden en grasvelden af op zoek naar insectenlarven, zoals van de langpootmug (emelten). Ze zijn talrijk. Na de broedtijd verzamelen de spreeuwen zich op grote slaapplaatsen. In het najaar komen er vanuit Noord- en Midden-Europa vele spreeuwen naar onze omgeving. Rond de slaapplaatsen vormen zich dichte wolken van duizenden spreeuwen.


In de wintermaanden een zwart verenkleed met een paarsgroene gloed en opvallende witte spikkels. In broedkleed zijn spreeuwen zwart gekleurd met een gloed van paarse, blauwe en groene kleuren. Jonge spreeuwen hebben tot in september een bruin, onopvallend verenkleed. Leeft in groepen, na het broedseizoen soms zeer grote groepen. Zijn vrij luidruchtig. Spitse snavel die geel is in het broedseizoen, daarbuiten donker grijs/zwart.

Spreeuwen zoeken elkaar op en groeperen zich in de toppen van de bomen.

Een deel van de broedvogels trekt in de winter weg, maar blijft relatief dicht bij huis: België, Noordwest-Frankrijk en Zuid-Engeland. Uit noordelijke en oostelijke streken van Europa trekken grote aantallen spreeuwen door Nederland, waarvan een groot deel in ons land overwintert. In de winter zijn er daarom nog meer spreeuwen in Nederland dan tijdens het broedseizoen. Voorjaarstrek vooral in maart, najaarstrek van juni (jonge vogels) tot in november. Vooral dagtrekker.

Geveugelde op en over het Beleven

De een loopt, de ander vliegt over het Beleven. Er zijn er ook die niet meer zullen vliegen. Op het ijs zat een groepje meeuwen, geen gewone meeuwen maar Stormmeeuwen. Ook eist het winterweer slachtoffers. Een Blauwe reiger lag dood, in het ijs vastgevroren.

Links: een groepje meeuwen, rechts: het bleken Stormeeuwen en Kokmeeuw in winterkleed

Op een afstand een groepje meeuwen, maar dichter bij bleken het geen gewone meeuwen, maar Stormmeeuwen en Kokmeeuwen te zijn. Als je en rondje wandelt en goed uit je ogen kijkt, merk je dat er vaak zeldzame vogels te zien zijn. Vandaag zaten er Stormmeeuwen op het met ijs bedekte Beleven.

Stormvogels lijken enigszins op zilvermeeuw, maar de kop is ronder dan die van een zilvermeeuw en de Europese vogels hebben een oog met een donkere iris, daardoor lijkt de stormmeeuw "vriendelijker" dan de zilvermeeuw met zijn lichtgele iris ("gemene ogen"). Bovendien is de stormmeeuw met zijn 38 tot 44 cm lengte gemiddeld bijna 20 cm kleiner dan de zilvermeeuw. Aan de hand van deze kenmerken zijn deze soorten goed van elkaar te onderscheiden.

De Kokmeeuw is een kleine meeuw. In de winter lijkt de koptekening op een een koptelefoontje, in de zomer wordt de kop van de volwassen vogel chocoladebruin. Verder is de Kokmeeuw lichtgrijs van boven, de voorvleugel is wit van boven, de handvleugel is van onderen donker leigrijs. De kokmeeuw is in aantal sterk afgenomen, maar nog steeds talrijk in Nederland. Noordelijke populaties trekken, de meer zuidelijkere populaties zijn voornamelijk standvogel of zwerven. In Nederland tref je 's winters veel Finse, Zweedse en Baltische kokmeeuwen aan en komen hier al vanaf de zomer aan. Een deel van de Scandinavische en Baltische vogels trekt door naar West-Afrika, deel overwinteren deze in Groot-Brittannië. De meeste overwinteraars vindt je in Spanje afkomstig uit Frankrijk en België, maar ook uit allerlei andere landen in Noord-Europa. De voorjaarstrek bigind vanaf februari en duurt tot in april.

Een nog springleven de, en een dode Blauwe reiger, gevangen in het ijs.

Spreeuwen in de boomtoppen, samen is het veiliger. Reeën rende het beschutte bos in.

Een paraglider vliegt nog net langs het Beleven, zonder de ganzen op te schrikken.

maandag 5 december 2016

Vinken, een geelgors en een tjiftjaf

Vanmorgen kreeg ik in plaats van het goudhaantje, vinken, een geelgors en een tjiftjaf voor de lens. De Geelgors was te schuw om kort te benaderen, maar ik heb er toch een foto van. De tjiftjaf zat aan de andere kant van het pad, de vinken zaten verspreid. de een mooier dan de ander.

Mijn mooiste, tussen de dennennaalden.


Vinken leven in bossen, boomrijke tuinen en parken. Ze eten namelijk zaden en zachte plantendelen, zoals bladknoppen. Toch is het vooral hoog Nederland waar vinken het meeste voorkomen. Aan het einde van hun zang van de vink laten vinken vaak de bekende 'vinkenslag' horen. Vinken hebben een korte, kegelvormige snavel. Het mannetje heeft in broedkleed een blauwgrijs petje, een oranjerode borst en wangen. De staartveren zijn zwart, behalve de (witte) buitenste staartpennen. Het vrouwtje is minder opvallend en wordt nog wel eens aangezien voor een vrouwtjes mus. Het meest opvallende kenmerk van de vink zijn de twee witte vleugelstrepen. Dat is ook waarmee u de vrouw het best van een mus kunt onderscheiden.

De meeste Nederlandse vinken zijn standvogels, maar een deel trekt over grote of minder grote afstand naar het zuiden om te overwinteren. Vogels die broeden in het noorden en noordoosten van Europa trekken tussen half september en eind november naar het zuiden en zuidwesten van Europa en naar noordelijk Afrika. Voorjaarstrek van vanaf februari, maar vooral in maart en april, met in de voorhoede de mannetjes, die meestal ook het minst ver weg trekken. Vooral dagtrekker, trekt in groepen en laat zich stuwen door groot open water.

De Geelgors

De geelgors is een zwerfvogel van diverse halfopen landschappen, zoals licht beboste heide, bosranden en agrarisch gebied met heggen, houtwallen en grazige wegbermen. Geelgorzen worden vrijwel uitsluitend aangetroffen in het oosten en zuidoosten van het land. De Nederlandse broedvogels blijven hoofdzakelijk in eigen land en vormen wintergroepen op voedselrijke plekken. In uitzonderlijke gevallen gaat het om vele honderden of zelfs meer.

Mannetje is duidelijk te herkennen aan grotendeels gele kop en geel op onderdelen. Vrouwtje en jonge vogels zijn minder duidelijk te herkennen, maar vrouwtje vaak nog veel (licht)geel. In alle kleden opvallende roodbruine stuit en witte buitenste staartpennen. Ze eten grotendeels zaden, waarbij tarwe en haver de voorkeur krijgen boven gerst, maar ook zaden van bomen zoals spar, den, beuk, druif, maretak en diverse andere zaden. In de broedtijd wordt omwille van de jongen echter ook overgeschakeld naar ongewervelden en insecten. Voedsel wordt merendeels verzameld op de grond.

De tjiftjaf en de Pimpelmees kom je in alle bosranden tegen.