zondag 13 oktober 2019

Herfstwandeling tussen de paddenstoelen

Vanmorgen ging ik weer eens de benen strekken, na een paar weken alleen maar tijd te hebben voor de gedeeltelijke restauratie van mijn Porsche 924 uit 1982. Al wandelend door de bossen aan de Schipstaarten in Netersel zag ik dat er weer veel paddenstoelen staan. Vorig jaar waren de paddenstoelen schaars door de droge zomer en najaar. Door de vele regen van de afgelopen weken zijn de omstandigheden weer goed voor de zo typische herfst schimmel vruchtlichamen. Ook de Eekhoorn liet zich zien, hoewel hij dacht onopgemerkt te zijn gebleven.

De Eekhoorn verschuilden zich achter een dikke boom, maar was nog wel te zien.

De gewone eekhoorn is de bekende roodachtige eekhoorn met de grote pluimstaart en pluimpjes aan de oren die regelmatig in een Nederlands bos te zien is. Een gewone eekhoorn bouwt meestal verscheidene nesten hoog in de bomen. Deze nesten worden gebouwd van takken, boombast, bladeren en mos. In de winter brengen eekhoorns het grootste deel van de dag en nacht in hun winternest door en komen ze slechts af en toe naar buiten om wat eten te halen. In de herfst hebben ze daarvoor op een groot aantal plekken voedselvoorraden verstopt. In de zomer gebruiken ze hun nesten ook intensief. Bijvoorbeeld om jongen te krijgen en te schuilen voor regen of warmte.

De eekhoorn, ook Rode eekhoorn of Gewone eekhoorn (Sciurus vulgaris) genaamd is de in Europa meest voorkomende eekhoorn. De eekhoorn is 20 tot 28 centimeter lang en 250 tot 350 gram zwaar. De borstelige pluimstaart is van 15 tot 20 centimeter lang. Het is een omnivoor, die tot de knaagdieren behoort.

Rood met witte stippen, de Vliegenzwam

De vliegenzwam (Amanita muscaria) is een opvallende paddenstoel, die algemeen voorkomt in de lage landen. Vliegenzwammen groeien veelal in loofbossen, in nauwe associatie (symbiose) met berk, tamme kastanje, eik, beuk, ook wel met den en spar. Ze vormen een ectomycorrhiza, wat betekent dat het mycelium niet binnendringt in de wortels van de boom, maar de haarwortels aan de buitenkant omgeeft.

De bekendste verschijningsvorm van de vliegenzwam is een donkerrode hoed met witte stippen. De witte stippen zijn restanten van het algeheel omhulsel (velum universale) waarin de paddenstoel 'opgesloten' zat, voordat hij uit de grond omhoog kwam. Deze spoelen bij regenachtig weer vrij snel van de hoed. De kleur van de hoed is echter variabel en kan variëren van rood tot oranje met gele tinten. De eerste foto in de fotogalerij hieronder geeft een idee van de variatie in kleur bij vliegenzwammen.

De hoed wordt 5–15 cm breed. Het vlees, de plaatjes en de sporen zijn wit. De sporen zijn elliptisch van vorm (9-12 µm bij 6-9 µm) en niet amyloïd. Op de witte steel zit meestal een duidelijke ring en aan de onderkant een (vlokkige) beurs. Vliegenzwammen kunnen voorkomen vanaf juli tot en met de late herfst, met een hoogtepunt rond eind augustus.

Rode zwavelkopjes

Rode zwavelkop (Psilocybe sublateritia) is een in Nederland algemene paddenstoelensoort. De zwam is te vinden in loofbossen, vooral op stronken en stammen van eik, berk en beuk. De vruchtlichamen zijn aanwezig van augustus tot en met november. De hoed heeft een diameter tot 10 centimeter en is steenrood van kleur, naar de rand toe geelwittig. In de randzone bevinden zich vaak geelgroenige vezelachtige velumresten. De lamellen zijn bij jonge exemplaren licht grijsgroen, later worden ze bruin. De vezelig gestreepte steel is wit tot lichtgeel, aan de voet lichtbruinig. Vaak is er een vezelige ringzone. Rode zwavelkop is giftig.

Helmmycena

Mycena is een geslacht dat behoort tot de plaatjeszwammen. Het geslacht omvat soorten met middelgrote tot kleine paddenstoelen. Ze hebben een kegel- tot klokvormige hoed met vaak gevoorde, rechte rand, die bij het rijper worden niet naar binnen omkrult. De steel is dun en heeft geen manchet. Sommige soorten hebben melksapbuizen in de steel waardoor bij doorbreken een wit of rood sap naar buiten komt.

De helmmycena (Mycena galericulata) is een paddenstoel uit de familie Mycenaceae. De hoed heeft een doorsnede van 2-4,5 cm en is breed klokvormig tot vlak met een centrale bult. Het is een taaie en leerachtige hoed, die grijsbruin tot geelbruin van kleur is met een gestreepte of gegroefde rand. De steel is 7-10 cm hoog en 3-5 mm dik; de kleur is grijs. Deze is taai en kraakbeenachtig. De lamellen staan ver uit elkaar en zijn aan de basis verbonden. Ze zijn eerst wit, maar later vleeskleurig. De sporen zijn wit. De helmmycena komt voor in groepjes op boomstronken; soms het gehele jaar door, maar vooral in de herfst.

Grote hoeveelheid Sombere honingzwammen tegen de boomstam van een dikke den. 

De Sombere Honingzwam (Armillaria ostoyae) is een algemene Honingzwam welke meestal in bundels groeit, op zowel dood als levend loof- en naaldhout. Deze soort komt vooral voor op zandgrond. De hoed van de Sombere Honingzwam is vleeskleurig tot lichtbruin gekleurd en bevat donkere, vezelige schubjes. De vlokkige steel is meestal lichter gekleurd dan de hoed, bevat vaak donkere vlokjes en heeft een witte ring. De onderkant van deze ring bevat donkere vlokjes.

Achter schors van dode bomen zijn vaak de zwarte rhizomorfen van Honingzwammen te zien. De Sombere Honingzwam kan verward worden met de Echte Honingzwam (Armillaria mellea) en de Knolhoningzwam (Armillaria lutea). Het belangrijkste verschil met de Echte Honingzwam zit aan de onderkant van de ring: bij de Sombere Honingzwam is deze namelijk bezet met donkere vlokjes, terwijl deze ring bij de Echte Honingzwam aan de onderkant een gele randzone bevat. Tevens is de Echte Honingzwam doorgaans geler van kleur, is de hoed minder geschubd, zijn de lamellen witter van kleur en bevat de steel geen donkere schubjes.

Het belangrijkste verschil met de Knolhoningzwam is dat de Knolhoningzwam een steel heeft die bezet is met gele vlokjes, en vaak ook geheel geel gekleurd is, bij de Sombere Honingzwam is ten hoogste de steelvoet wat geel verkleurd. De hoed van de Knolhoningzwam heeft vaak gele tinten en de steelvoet is bij deze soort vaak verdikt (dit is niet altijd het geval, en dit kan ook bij andere Honingzwammen voorkomen). Tevens kan de soort nog verward worden met diverse Bundelzwammen (Pholiota). Let hierbij op de grootte, de kleur en structuur van de hoed, steel en lamellen.

Paarse schijnridderzwam

De paarse schijnridderzwam (Lepista nuda; synoniemen: Clitocybe nuda, Tricholoma nudum en Agaricus nudus) is een zeer algemeen voorkomende paddenstoel uit de familie Tricholomataceae. De soort lijkt op de paarssteelschijnridderzwam (Lepista saeva), maar deze heeft een lichtgrijs-beige hoed. Een andere verwante soort is de vaalpaarse schijnridderzwam (Lepista sordida).

De paarse schijnridderzwam heeft een blauwachtig lila tot bruine hoed, die naar de rand toe roze tinten vertoont en bij het opdrogen lichter van kleur wordt. De hoed heeft in jonge staat een vlakke tot gewelfde vorm, later vertoont de rand een golvend patroon. De hoedrand kan daarbij inscheuren. De hoed kan een diameter van 6 tot 12 centimeter bereiken. De steel is lila, wordt tot 5 tot 9 centimeter hoog en is bedekt met fijne vlokken of vezels. De voet is soms knotsvormig en sterk verbreed. De lamellen zijn paars en liggen dicht naast elkaar. Het vlees heeft een typische, zoet-aromatische geur en smaak. Bij jonge exemplaren is het vlees paars, later wordt het bleker.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten