De kleine plevier is een pionier. Hij vestigt zich rap op plekken die tijdelijk geschikt zijn om te broeden, zoals afgravingen en nieuw aangelegde waterbergingsplassen. Deze plevier wordt wel eens verward met de bontbekplevier, maar deze heeft een oranje snavelbasis, oranje poten en géén gele oogring. Bovendien is de bontbekplevier veel meer aan de kust te vinden dan de kleine plevier, die in zoetwatermilieus voorkomt.
Het is een slanke kleine plevierensoort. Opvallend zwart-wit getekend op kop en borst. Nagenoeg geheel zwarte snavel. Lichtroze poten, een duidelijk gele oogring en in de vlucht geen vleugelstrepen. Het is een vogel van het binnenland, een pioniersoort van kale of zeer schaars begroeide grond, vaak met wat zoetwater. Je ziet ze wel eens op de oevers van meren en plassen, grindgaten, kale duinvalleien, natte geplagde heide en vloeivelden. Na de broed kunnen ze ook snel weer verdwijnen.
Ze zijn territoriaal, maar paren kunnen dicht bij elkaar broeden. Mannetjes maken een vlinderachtige baltsvlucht. Het nest is niet meer dan een kuiltje in de grond, spaarzaam bekleed met wat steentjes. De eileg begint april en eindigt in juli, soms in augustus, en hebben tot twee, soms drie broedsels per jaar van 3 tot 4 eieren. Ze broeden 22 tot 28 dagen. De jongen zijn na 24 tot 29 dagen vliegvlug en worden door beide ouders verzorgd.
